Uit de reddingboot 1

OP DE TITEL KLIKKEN

18 december 1924 Stranding Engels s.s.“ Promus“ volop in het nieuws…

8 januari 1928 Redding van het ss Vang

17 november 1928 Redding Senator

22 oktober 1929 Zoektocht naar sloep tjalk Ambulant

8 maart 1932 De “Dorus Rijkers” zoekt naar een vermiste jol van motortjalk Elodie

25 oktober 1932 Kotter HD 108 Uit Gunst Verkregen

4/5 mei 1934 Belgisch ss Charles

26 september 1936 Redding ms Bertha III

5 januari 1939 Redding Nederlands botter HD 228

8 maart 1939 Redding van de Nederlandse Botter “UK 44”

1 april 1947 Redding HD 64

4 juli 1948 Verkenning Nederlands ms Saba

15 december 1948 Berging mijnenveegapparatuur

25 oktober 1949 Redding sloep van het ss ‘IVAR

15 december 1949 Redding kotter HA52

17 september 1950 Engels jacht Firefly

1 januari 1952 Assistentie Nederlandse ms Beurtvaart 2

1952 In Helders Peperhuisje bekendmaking van vertoning film „Reddingboten aan de Nederlandse kust”

6 februari 1953 Opdrachten blijven uit

25/26 september 1954 Sloep Kon.Marine

8 december 1954 Redding mosselvisser WR41

23 maart 1955 Redding van de botter UK 69

16 oktober 1956 Standby voor binnenlopende schokkers/loggers

21 december 1956 Redding van het KM vliegtuig type Firefly

16 september 1956 Redding Jacht “Johanna Jantina”

21 januari 1960 Assistentie SCH87

 

1924 Stranding Engels s.s.“ Promus“ volop in het nieuws…

Stranding

Eigenaar; Seager W.H.& Co.Ltd. Cardiff (1917-1943)
Datum: 17/18.12.1924
Station: Den Helder / Zuiderhaaks
Aantal geredden: 1
Redding nr: 1

Uit: De Reddingboot nr. 24, Juni 1925: blz.576

Stranding van het ss “Promus” op den 17den December 1924

De Commissie van plaatselijk Bestuur te Helder rapporteerde het volgende: Op 17 december 1924 namiddags 1 uur bracht een Heldersche vischbotter het bericht, dat een groot stoomschip was gestrand op de Zuiderhaaks. Er woei een lichte Z.W.-koelte, klein gezicht, kalme zee. Wegens deze weergesteldheid werd besloten de “Dorus Rijkers” voorloopig niet uit te zenden doch een afwachtende houding aan te nemen. ‘s Avonds begon de bries hoe langer hoe meer aan te wakkeren en kwam er meer zee, zoodat de Heldersche vischbotters, die naar de strandingsplaats waren vertrokken, het niet langer langszijde van het stoomschip konden uithouden. Het stoomschip was de “Promus”, een Engelsch stoomschip van Cardiff met meel, mais, lijnzaad enz. komende van Buenos-Aires, met bestemming naar Rotterdam. Daar het water begon te maken in de machinekamer, werden een 10-tal Arabische stokers door één der vischbotters geland.

Daar de wind in kracht toenam, werd besloten de “Dorus Rijkers” te 11 uur uit te zenden.
Aanvankelijk wilde een deel der bemanning het schip verlaten, omdat er meer en meer water in de machinekamer drong. Later kwam men hierop terug en vroeg men schipper Bot van de “Dorus Rijkers” of hij tot het aanbreken van den dag bij de “Promus” wilde blijven. Bij het aanbreken van den dag wenschte de equipage het schip niet te verlaten. Slechts een messroom-boy werd medegegeven naar den wal. Deze werd te half elf van 18 december geland.

 

Engels ss Promus [2]

Datum: 18.12.1924
Station: Den Helder / Zuiderhaaks
Aantal geredden: 17
Redding nr: 2
Uit: De Reddingboot nr. 24, juni 1925: blz. 576

De “Dorus Rijkers” gaat weder uit

Wegens de stijve koelte uit het Z.W. tot W.Z.W., kracht 6 / 7 en de toenemende zee, in verband met de omstandigheid, dat het gestrande schip meer en meer water begon te maken en de positie hachelijker werd, werd besloten de “Dorus Rijkers” weder uit te zenden. Een deel der bemanning wenschte vóór het vallen van den nacht de “Promus” te verlaten, waarop 17 man op de “Dorus Rijkers” overgingen en te 04.30 te Nieuwediep werden geland. De Gezagvoerder, de vier stuurlieden, 1ste machinist en steward, totaal 7 man, wenschten het schip niet te verlaten. De Marconist was overgegaan op de sleepboot “Drenthe”.
De “Promus” werd ten slotte afgesleept.

Uit: Geschiedenis Bureau Wijsmüller 1911 – 1945

Op 17 december 1924 strandde in de Zuiderhaaksgronden het Engelse SS “Promus”. De „Drenthe” en de „Assistent” vertrokken direct naar de strandingsplaats en wisten vast te maken. Een eerste poging slaagde niet. De “Promus” is gebouwd in 1918, 6000 BRT. Donderdag 18 december 1924 hadden de „Drenthe”, de “Nestor”, de “Cycloop”, de “Assistent”, de “Jacob van Heemskerk”, de “Brabant” en de “Limburg” verbinding met het schip. Ook deze poging mislukte. Op 23 december 1924 lukte het om de “Promus” vlot te brengen.

Vlak bij Den Helder liep de “Promus” weer aan de grond, maar op 25 december 1924 lukte het om de “Promus” de haven van Den Helder binnen te slepen.
Het bergingsloon voor de “Promus” bedroeg 144.000,– gulden.

 

Uit: De Heldersche Courant, 18/12/1924; p.5/8

Groot Engelsch schip gestrand

Gistermorgen om ongeveer 12 uur meldde een binnenkomende botter, dat er in de Zuiderhaaksgronden een groot Engelsch stoomschip gestrand was. De sleepbooten “Drente” en “Assistent” van de Mij. Wijsmüller vertrokken op dit bericht direct naar de plaats der stranding, terwijl een 10-tal botters, tuk om wat te verdienen, met de sleepbooten meestoomden. Het schip, dat in de gronden vastzat, bleek te zijn het Engelsche ss. “Promus”, geladen met maïs, graan en gerst en op weg van Buenos Aires naar Rotterdam. De kapitein was de koers geheel kwijt geraakt en meende vast te zitten in de gronden bij de Schouwen. Het schip had bij de machinekamer een groot lek, waardoor het water tot op 20 voet hoogte naar binnen gestroomd was. Het machinepersoneel, bestaande uit 10 man, was dan ook naar boven gevlucht. De “Drente” en” Assistent” hadden spoedig verbinding met de “Promus” en het gelukte beide booten, het schip scheepslengten te versleepen. Daarna raakte het echter opnieuw vast en was er geen beweging meer in te krijgen. Ondertusschen was naar Rotterdam geseind om meerdere hulp. En de reederij Wijsmüller zou nog een viertal sleepbooten ter assistentie zenden, die vermoedelijk vanmorgen zijn gearriveerd. Misschien zal het gelukken met vereende krachten het schip, met hoog water, vlot te brengen. De “Promus” is gestrand op de plaats waar jaren geleden de “Serbia” strandde, die, zoals men weet, in de gronden is weggezakt. Eenige visscherlui maakten de veronderstelling, dat het Engelsche s.s. op een punt van de “Serbia” zou rusten. Als het schip niet vlot gebracht kan worden, levert het groot gevaar op voor de scheepvaart, omdat het ongeveer in de vaargeul ligt, waar de botters steeds moeten passeeren. De tien botters, die gelijk met de sleepbooten vertrokken waren, hebben getracht lading van het gestrande schip over te nemen. En de “H.D.16, 40 en 210” kwamen dan ook met een flinke deklading maïs en gerst in onze haven binnen. Voor de andere botters was het weer echter te ruw geworden om zich nog, zonder gevaar, bij het s.s. te kunnen wagen. De “H. D. 228”, schipper D. de Boer, heeft de 10 man machinekamerpersoneel meegebracht, die bij den heer Arends, op de Achtergracht Z.Z. nachtverblijf werd verschaft.

De “Dorus Rijkers” vertrok gisteravond te half twaalf uit de haven, om de overige 26 opvarenden over te nemen.

Uit: De Heldersche Courant 20/12/1924;p.10/16

Stranding s.s. “Promus”

In aanvulling op ons bericht van Donderdag kunnen we nog het volgende omtrent de stranding van het Engelsche s.s. “Promus” mededeelen.

Om 11 uur Donderdagmorgen vertrok Dorus Rijkers opnieuw naar de plaats der stranding, nadat hij 1 kajuitsjongen en 18 Heldersche vletterlui, die ’s avonds aan boord gegaan waren, in de haven alhier hadden binnengebracht. Tegen 1 uur bereikte de reddingsboot het s.s. “Promus” en de schipper deed het verzoek, om op de reddingboot over te komen. De bemanning, die bezig was met de lading over boord te gooien weigerde voorloopig nog, aan het verzoek te voldoen.

De “Dorus Rijkers” bleef echter in de nabijheid van het schip en toen om 3 uur de zee ruwer werd, verzocht schipper Bot nogmaals, over te komen. 17 man van de 24 voldeed aan het verzoek. Bij het overbrengen stootte de “Dorus Rijkers” aan bakboordzijde eenige malen tegen het schip op, zoodat hij een lichte deuk in den kop bekwam. In den tijd van drie kwartier waren de 17 personen overgebracht en vertrok de “Dorus Rijkers” naar Nieuwediep. Het s.s. “Promus” werd in 1918 gebouwd en is ruim 6000 ton groot, het behoort thuis te Cardiff.

Een zestal sleepboten van de Mij. Wijsmüller had Donderdagmiddag verbinding met het schip, n.l. de “Drente”, van Helder, de” Nestor” en” Cycloop” van IJmuiden en de” Jac. V. Heemskerk”,

”N.Brabant” en ”Limburg” van Rotterdam.

Het is absoluut zeker dat het schip boven op de “Serbia” zit, waarop het ook stuk gestooten is. De kans is heel gering dat het vlot gebracht zal worden, tenzij er een sterke Oostenwind komt, waardoor het water lager wordt en de kans, om het schip te lossen en te lichten, grooter wordt. Het schip zakte echter Donderdag steeds met den kop veel dieper in de gronden weg.

Zooals gezegd, waren er nog een 7-tal menschen aan boord, waaronder de kapitein, de 1e machinist en de stuurlieden benevens twee vertegenwoordigers van de Mij. Wijsmüller en een loods.

De reddingsboot was om half vijf met de 17 opvarenden in onze haven en wachtte op een oproep van het s.s. om hulp.

De “Dorus Rijkers” was bemand met 6 man, n.l. schipper Bot, monteur Eelman en W. Snip, T.R. Zegel, D. Bot en S. Oostendorp.

Gistermiddag en- avond stoomden een veertiental botters van Helder, Texel en Wieringen naar de plaats waar het Engelsche s.s. “Promus” gestrand was.

Deze botters namen allen een gedeelte van de lading over en brachten dit hedenmorgen in de haven, waar het in de lichter “Albatros” van de Mij. Wijsmüller geborgen werd. Het weer is tot op heden bijzonder gunstig om het Engelsche s.s. te lossen, men heeft dan ook hoop, wanneer er geen weersverandering komt, het stoomschip morgenavond vlot te kunnen brengen. Het Engelsche s.s. is verzekerd voor ƒ 50.000 en heeft een lading van ƒ 60.000.

Drie sleepbooten van de Mij. Wijsmüller de “Jacob van Heemskerk”, “Noord-Brabant” en “Drente”, hebben nog verbinding met de “Promus”; ’t is dezen booten gelukt het schip een stukje vooruit te brengen.

Toen gisteravond te ongeveer 8 uur de “H.D. 30” in de Zuidergronden aankwam, werd deze onverwachts gerameid door de sleepboot “Jb.v. Heemskerk”. Vanwege den zwaren mist hadden de booten elkaar niet gezien. De “H.D. 30” bekwam een tamelijk groot gat in de machinekamer.

De bemanning van de sleepboot, die meende, dat de botter zinken zou, riep den schipper M. Veen en zijn twee zoons toe, over te springen op de sleepboot, waaraan dezen, het hachelijke van hun positie inziende, gevolg gaven. De “H.D.210”, schipper J. Bais, had het ongeval gezien, doch wist niet, dat de menschen op de sleepboot overgesprongen waren. Schipper Bais stoomde daarom met zijn botter de “H.D.30” achterna. Deze botter voer op de Razende Bol aan. Op het geroep van schipper Bais en zijn zoon, kregen dezen natuurlijk geen gehoor. De reddingvlet van de sleepboot, schipper H. van Dok, bracht toen een tros van de “H.D.210” over naar de “H.D.30” en zoo mocht het schipper Bais en Van Dok gelukken de “H.D.30” van een gewissen ondergang op de Razende Bol te redden. De “H.D.210” sleepte de botter naar de veilige Nieuwediepsche haven.

Dat schipper Veen, die zijn schip verloren waande, vanmorgen blij was, toen hij op de “H.D.64” binnenkwam en zijn schuit in de Binnenhaven zag liggen, behoeft wel geen betoog.

Uit: De Heldersche Courant, 24/12/1924;p.5/6

De stranding van het stoomschip „Promus”

In ons nummer van Zaterdag j.l. deden wij een aanvullend relaas van het verloop der redding van de opvarenden van het s.s. “Promus”. Wij schreven daarin:

Tegen 1 uur bereikte de reddingboot het s.s. “Promus” en de schipper deed het verzoek, om op de reddingboot over te komen. De bemanning, die bezig was met de lading over boord te gooien, weigerde voorloopig nog, aan het verzoek te voldoen. De “Dorus Rijkers” bleef echter in de nabijheid van het schip en toen om 3 uur de zee ruwer werd, verzocht schipper Bot nogmaals, over te komen. 17 man van de 24 voldeed aan het verzoek. Nader vernemen wij evenwel, dat het hierboven verhaalde zich eenigszins anders heeft toegedragen. Van een “verzoek” van de zijde van den schipper der reddingsboot om van boord te gaan, was geen sprake, kòn geen sprake zijn, omdat het niet tot de taak eener reddingboot behoort zooiets te verzoeken. De toedracht der zaak is als volgt:

Schipper Bot was met de “Dorus Rijkers” des nachts te 1 uur nabij de “Promus” gekomen. De toestand was toen niet van dien aard, dat directe hulp noodig was. De heer Sieuwertsz van de Maatschappij Wijsmüller die aan boord van de “Promus” was, raadpleegde hierover den Engelschen gezagvoerder, en deze liet zijn mannen in dit opzicht de vrije beslissing. Allen besloten daarom aan boord te blijven. De “Dorus Rijkers” bleef toen, op dringend verzoek van den kapitein der “Promus”, in de nabijheid om, als ’t noodig zou blijken, hulp te kunnen bieden; toen het dag begon te worden, werd de hulp van de reddingboot ingeroepen door de Heldersche vletterlieden, die van boord wenschten te gaan. Zoals men weet, zijn deze toen, met een jongen van de “Promus” , aan wal gebracht. Onmiddellijk na aankomst in de haven ging de heer Bot wederom uit en kwam des middags te ongeveer 2 uur bij het schip. De toestand was nog niet zoo, dat de bemanning van boord moest en schipper Bot beloofde opnieuw tot donker in de nabijheid te zullen blijven. Tegen schemeravond werd de zee woester: de “Dorus Rijkers” kwam hierop langszij en de schipper deelde mede naar de haven te vertrekken. Hierop is een deel der bemanning (17 personen) aan boord gegaan, en het waren deze, welke om vier uur hier werden aangebracht. Herhaaldelijk was door den Engelschen gezagvoerder verzocht in de nabijheid te willen blijven en hieraan is, zoals uit het bovenstaande blijkt, ook door schipper Bot voldaan.

Toen twee Rotterdamsche sleepbooten van de Mij. Wijsmüller gisterenmorgen het s.s. “Promus”op de Reede brachten, geraakte het schip wederom vast, op de bollen achter het fort Harssens. Alle pogingen om het schip vlot te brengen faalden tot op heden.

Het schip maakt opnieuw veel water in de machinekamer, zoodat een duiker weder bezig is, het gat te dichten. Hedenmiddag met hoogwater, zal geprobeerd worden het schip vlot te brengen.

Vanaf den dijk en de haven is het kolossale stoomschip goed te zien, zoodat het ongetwijfeld zeer interessant zal zijn het werk van de sleepboten vanmiddag gade te slaan.

Uit: De Heldersche Courant, 27-12-1924; p.2/8

Stranding en berging van het Engelsche stoomschip “Promus”

Scheepsongevallen in de zoo gevaarlijke Haaksgronden komen gedurende de laatste jaren niet veelvuldig meer voor, hetgeen in hoofdzaak te danken is aan de voortdurende verbetering van de kustverlichting en de aanduiding van vaarwaters en gevaren door middel van licht- en brulboeien.

Men moet dan ook tot Nov. 1921 teruggaan, toen op een der laatste dagen dier maand het groote Noorsche stoomschip “Huftero” in de Zuider Haaks strandde, om een ongeveer soortgelijk scheepsongeval als het onderwerpelijke in het geheugen te roepen.

Het was op 17 December j.l., dat te Helder het bericht werd ontvangen van de stranding der “Promus” en de momenteel te Nieuwediep aanwezige twee sleepbooten “Drente” en “Assistent” werden onverwijld ter eventueele hulpverleening naar het in nood verkeerende schip gedirigeerd. Aan boord van het stoomschip gekomen, werd van den gezagvoerder vernomen, dat hij met een lading maïs, meel en lijnzaad van Buenos Aires, bestemd voor Rotterdam, door dagen lang mistig weer weinig gelegenheid tot juiste plaatsbepaling gehad hebbende, aanvankelijk meende bij Schouwenbank gestrand te zijn, terwijl het hem eerst bij een korte opklaring van het weder bleek, dat hij zich deerlijk in zijn bestek had vergist. Te betreuren valt het, dat door den kapitein van het schip niet dadelijk de door plaatselijk bekende lieden aangeboden assistentie werd aanvaard, want bij pogingen om met eigen middelen buiten de gronden in diep water te geraken, stiet het

vaartuig op een wrak, vermoedelijk dat van het vele jaren geleden aldaar verongelukte stoomschip “Serbia”, waardoor de “Promus” een zoodanig lek bekwam, dat de machinekamer vol water liep, hetwelk spoedig de vuren doofde en het in de machinekamer en op de stookplaats aanwezig personeel noopte naar dek te vluchten. Eerst toen besloot de gezagvoerder een overeenkomst met het Bureau Wijsmuller ter hulpverleening te sluiten en konden de beide aanwezige sleepbooten verbinding maken met het gestrande stoomschip.

Het bleek alras, dat de aanwezige sleepkracht niet toereikend zoude zijn, om het diepgeladen en met een groote hoeveelheid water bezwaarde vaartuig vlot te brengen, waarom achtereenvolgens nog vier groote sleepbooten, n.l. de “Gelderland, “Zeeland”,”Jacob van Heemskerck” en de “Limburg” en drie kleinere booten, als:”Cyclop”,”Nestor” en “Titan”naar de strandingsplaats werden gezonden.

Van Nieuwediep was inmiddels uitgezonden, de aldaar gestationeerde motorreddingboot “Dorus Rijkers”, die eerst een tiental en later nog eenige leden der bemanning van boord haalde, daar deze lieden zich blijkbaar op het gestrande vaartuig niet veilig gevoelden, te meer, omdat de krachtig doorstaande Zuid-westelijke wind nogal veel branding en zwel in de gronden deed ontstaan. Het was ook hieraan toe te schrijven, dat eenige aanvankelijk aan boord gekomen vletterlieden zich weder van het schip verwijderden.

Al spoedig werd ingezien, dat het schip gelicht moest worden, door het lossen en zoo nodig werpen van lading, doch, het gelukte eerst na verloop van twee dagen, om visschersschuiten langszij te krijgen, waarmede een deel der lading naar Nieuwediep werd overgebracht.

Pompmateriaal van voornoemde plaats aangevoerd, werd aan dek opgesteld, aanvankelijk een motorpomp en later centrifugaal stoompompen, waarvoor de stoomkracht tot het drijven geleverd werd door een langszij genomen bergingsvaartuig. Door een duiker werd aan bakboord een groot lek gevonden, ter plaatse, waar een gedeelte van de kimkiel was afgescheurd, vermoedelijk door het schuren langs een wrakstuk; het gelukte den duiker dit lek eenigszins dicht te maken door het inbrengen van bruin werk.

Voortdurend werd door de sleepbooten, bij opkomenden vloed getrokken, en hoewel het gaandeweg gelukte het voorschip, waarop was vastgemaakt eenigszins rond te trekken, mocht men eerst op 23 December j.l. er in slagen het schip vlot te sleepen en naar de rede van Texel te brengen. Aldaar liep het wat te ver door en geraakte aan den grond op een beoosten genoemde Reede liggende ondiepte, ook al omdat het stoomschip middelerwijl meer water maakte. Eerst op 25 December d.a.v. kon de “Promus”, nadat een tweede lek zoo goed mogelijk gedicht was, veilig de haven van Nieuwediep worden binnen gebracht.

Het was een gelukkige omstandigheid, dat het weer gedurende de periode dat het schip in de Zuiderhaaks aan den grond zat, vrij rustig bleef, althans voor dezen tijd van het jaar. Bij een westelijken storm was het schip zeker verloren gegaan.

Toch zou het verkeerd zijn hieruit op te maken, dat het gemakkelijk gegaan was. Voor de stuurlui aan den wal moge dat zoo lijken, doch het tegendeel is eerder waar. Het feit, dat men zeker tientallen van jaren terug moet gaan om – misschien – nog een geval te vinden vermeld van het uit de gronden halen van een stoomschip in de maand December, wijst er wel op, dat het hier een bijzondere prestatie geldt. Te meer, omdat in dit geval het schip bovendien nog lek was. Heel wat ervaring en een buitengewone plaatselijke bekendheid waren nodig om dit bergingswerk tot een goed einde te brengen. De plaats waar de “Promus” vastgeloopen was – aan den buitenkant van de Zuiderhaaksgronden – was wel een der gevaarlijkste. Rondom zitten daar de wrakken – op een waarvan dan ook de “Promus” lek is gestooten. Doordat het schip water maakte, lag het geweldig diep en dientengevolge was het een heele uitzoekerij hoe, en door welke geulen men zou trachten het schip in diep water te brengen. Bovendien is het daar aan den buitenkant van de Zuiderhaaks feitelijk nooit rustig. In dit geval stond er ook nog wel zooveel zee, dat een der geweldige zware manillatrossen van de “Drente” – toen deze er nog alleen voor lag, – als een draad afknapte. Het oppikken en het weer verbinding krijgen was een stuk werk op zich zelf.

Zooals bekend, hebben ten slotte zes sleepbooten het schip vlot gesleept, terwijl de “Titan” het water uit het schip pompte. Dat nu gaat maar niet zoo, dat iedere sleepboot een tros op het schip zet en dan maar trekken gaat. Juist de omstandigheden ter plaatse maken ’t noodzakelijk, dat hier weloverwogen wordt gehandeld. De leiding berustte dan ook bij den kapitein van de alhier gestationeerde sleepboot “Drente”, den heer Kuiper.

Ook het bergingspersoneel, onder leiding van den salvage-chef Siewerts, heeft zware dagen achter den rug. Gedurende de zes dagen dat men in de gronden met het schip bezig is geweest, kwam men aan rust of slaap niet toe.

In den kortst mogelijken tijd toch dienden den gaten voorloopig gedicht, en het water zooveel mogelijk uitgepompt te worden. In de verraderlijke gronden is immers maar weinig noodig om een schip naar den kelder te helpen . Gelukkig beschikt de bergingsdienst te Nieuwediep over een ervaren duiker.

Deze heeft het gevaarlijke karweitje opgeknapt. Gevaarlijk, omdat het daar in de gronden nooit gemakkelijk is, maar bovendien omdat je niet weet wat zoo’n lek schip doet en de sleepbooten er steeds voor lagen. Van Drummelen is echter niet voor een klein geruchtje vervaard en maakte de zaak in orde.

Zoo liep alles rond en is het aan de onafgebroken inspanning van het sleepboot- en bergingspersoneel gelukt het schip behouden in de haven te brengen.

In de haven gekomen maakte het schip evenwel nog steeds water. Het duurde tot Vrijdagmiddag eer men dit meester werd. De pompen van de “Titan”, zoomede die van het bergingsvaartuig van de marine, hetwelk uitstekende diensten bewees, hadden toen onafgebroken gepompt. Vrijdagavond had men het schip vrijwel droog. Een Donderdagavond nog gerequireerde boot van de firma Doeksen van Terschelling met vijf pompen aan boord, behoefde geen dienst te doen.

Daar het schip te breed is om in het marinedok alhier te worden opgenomen, zal de reparatie door duikers moeten geschieden, terwijl het schip in de haven ligt.

Daarmede is dan weer een moeilijke berging tot een goed einde gebracht, en is de goede naam van Holland door het sleepboot – bergingspersoneel met ere hooggehouden.

Uit: De Heldersche Courant,18/10/1928;p.5/8

Op den 17en December 1924 deed de “Dorus Rijkers” eenige tochten naar het gestrande stoomschip “Promus”, van welk schip 18 menschen werden afgehaald.

Uit: www.kustvaartforum.com

 

 

 

 

Noors ss Vang, Haugesund, kapt. Severin Ommundsen

Datum: 07/08.01.1928
Station: Den Helder/Petten
Aantal geredden: 0
Redding nr: 50

Uit: De Reddingboot nr. 28, Maart 1928:blz.701

Redding van de bemanning van het Noorsche stoomschip “Vang” op 8 Januari 1928.
Petten; Op den 7den Januari 1928 strandde hij Petten op de buitenste bank te 7 uur ‘s avonds een Stoomschip.
Onder groote belangstelling en medewerking van de bevolking van Petten werd de reddingvlet naar de strandingsplaats bij paal 20 gebracht.
De gelegenheid was zeer ruw met regen en wind uit het Zuidwesten.
De reddingboot bereikte het schip doch de bemanning wenschte dit niet te verlaten.
Te half een van 8 Januari 1928 nogmaals uitgegaan, wilde wederom de bemanning het schip niet verlaten. Wanneer echter de toestand gevaarlijker werd zouden noodseinen worden gegeven, wat te ongeveer 2 uur geschiedde.
Daarop togen de mannen er ten derden male op uit en mochten het genoegen smaken de bemanning van het gestrande schip, 14 koppen, aan
wal te brengen.
Het gestrande schip bleek te zijn het Noorsche stoomschip “Vang” van Haugesund, gezagvoerder Severin Ommundsen, komende van Antwerpen en bestemd naar Hamburg, bemand met 14 koppen, in ballast.
De bemanning der reddingboot heeft zich uitstekend gedragen, zij heeft met groote bekwaamheid en flinkheid gewerkt.
De namen zijn: schipper Jan Duin, roeiers Arie Schaap, Pieter Kuiper, Jacob Friesman, Jan Vriendjes, Jacob Visser, Klaas van der Vlies, Jan Timmerman, Pieter Glas, Philippus de Graaff, Pieter Koopman, Pieter Schager, Dirk van der Vlies.
Ook het materieel, de reddingvlet en de toestel tot verlichting van het. strand hebben uitstekend voldaan. De kosten waren ƒ 254,..

Tocht van de motorreddingboot “Dorus Rijkers” naar het gestrande ss “Vang”

Toen te Helder op Zaterdagavond van 7 Januari 1928 van een auto bericht kwam van de stranding van een stoomschip nabij Petten, trachtte de
Commissie te Helder zich met Petten in verbinding te stellen. Dit gelukte echter niet daar zoowel de telefonische als de telegrafische verbinding met Petten verbroken was.
Uit voorzorg is toen de “Dorus Rijkers” uitgezonden te 11.45 uur De “Dorus Rijkers” kwam te 4 uur ‘s morgens te Helder terug en rapporteerde, dat zij het stoomschip, dat. inmiddels van de bank af en op een der hoofden was gestrand, niet kon bereiken De gelegenheid was stormachtig uit het Z.W., hooge zee.De “Dorus Rijkers” was bemand als volgt: schipper C. Bot, machinist R. Eelman, matrozen C. Bijl, K. Bijl, W. de Boer en H. van Dok.
De kosten waren ƒ 65,– en 96 Liter brandstof.

Uit ; De Reddingboot nr. 30,September 1929;blz 783

De “Dorus Rijkers” naar het ss “Vang”

In den nacht van 7 op 8 Januari vertrok de motorreddingboot “Dorus Rijkers” van Helder op het vernemen van de tijding der stranding van een stoomschip ( het Noorsche ss Vang) doch bevond dat dit onbereikbaar was voor de motorreddingboot.

Uit: Geschiedenis Bureau Wijsmuller 1911 – 1945

Zaterdag 7 januari 1928 strandde het SS “Vang” (1901-640Brt), dat in ballast van Antwerpen onderweg was naar Hamburg, benoorden Petten. Op 10 januari 1928 werd het door de „Vlaanderen”, de „Drente”, de “Stentor” en de “Nestor” vlot gebracht. De “Drente”versleept de “Vang”naar Nieuwediep.

 

Uit: De Heldersche Courant,18/10/1928;p.5/8

Op den 7en Januari 1928 deed de “Dorus Rijkers” een nachtelijke tocht naar
het nabij Petten gestrande stoomschip “Vang”, dat echter te dicht op den wal zat om bereikbaar te zijn voor de motorreddingboot.

Christelijk Dagblad “De Amsterdammer” 19 januari 1928

Het gebeurde op 17en November 1928

Duitse tanklichter Senator

Datum: 17.11.1928
Station: Den Helder/Molengat
Aantal geredden: 0
Redding nr: 73 en 74

Uit: De Reddingboot 30, September 1929:blz. 786

De “Dorus Rijkers” op onderzoek naar de gronden

Op den 17en November te 3.40 vertrok de motorreddingboot “Dorus Rijkers” teneinde een onderzoek in te stellen naar een licht dat gezien was op de Noorderhaaksgronden ten Westnoordwesten van den lichttoren.
Te 6 uur kwam de “Dorus Rijkers” terug zonder iets te hebben gezien, ging bij het aanbreken van den dag wederom uit doch met hetzelfde resultaat.
Toen te 9.30 het bericht kwam, dat een klein diepliggend vaartuig drijvende was benoorden het Molengat vertrok de “Dorus Rijkers” te 10 uur weder en vond bij de wrakton van de “Batavier II”, den geladen tanklichter “Senator” ten anker liggend, terwijl op eenigen afstand de Duitsche sleepboot “Jason” werd gezien. Men voer om den lichter doch er werd geen assistentie verlangd.

 

Zoektocht Naar Sloep Van Tjalk Ambulant

Datum: 22.09.1929
Station: Den Helder/Scheurrak/OudeVlie
Aantal geredden: 0
Redding nr: 106

Uit:De Reddingboot nr. 31, Augustus 1930 :blz. 841

11. Tocht van de Reddingboot No. 26 van Eierland naar een stakelende tjalk op 21 September 1929.

De tjalk was de “Ambulant”, die onder de Vliehors schelpen laadde. Er woei een stormachtige bries uit het West-Noord-Westen. Des avonds geraakte de schipper met de scheepsboot op drift en kon het schip niet meer bereiken.  De vrouw stakelde. De roei- en zeilredding-boot, die de motorboot “Eierland” tijdelijk had vervangen omdat de motorboot een zwaarderen motor zou krijgen, had een zwaren roei-tocht van 9 tot 13 uur. Op dit uur kwam men bij de tjalk. Geen nut ziende in het zoeken in het duister naar de verloren sloep kwam men in korten tijd onder zeil terug.
De Commissie van plaatselijk bestuur te Texel waarschuwde Helder en Harlingen.

12. Tocht van de M.R. “Dorus Rijkers” te Helder op 22 September 1929 ter opsporing van bovenbedoelde sloep met één man.

Toen de “Dorus Rijkers”, die hulp verleende bij de zeilwedstrijden ter reede Texel, het bovenstaande vernam heeft zij een onderzoek ingesteld in het Scheurrak en Oude Vlie. Te 20.15 keerde de “Dorus Rijkers” onverrichterzake terug.

13. Tocht van de M.R.C. A. den Tex” te Harlingen ter opsporing van bovenbedoelde sloep met een man.

Toen in den voormiddag van 22 September 1929 het geval bekend werd vertrok de M.R.C. A. den Tex” naar het Verversgat en zocht in het Zuidoostrak, langs Kornwerderzand, Middelgronden en onder de Friesche kust. Zij keerde na 3 1/4 uur zonder iets te hebben gevonden
terug.
Volgens het rapport van Harlingen kwam tegelijk met de reddingboot
een zeetjalk voor de haven, die sloep en man had opgepikt. Volgens rapport uit Helder was dit schip de “Fenna”.
Onze schipper was dus gevonden. Hij heeft zonder twijfel een moeilijken nacht doorgebracht. Hij zal uit deze rapporten kunnen zien dat veel werd gedaan om hem te vinden. Van de Reddingmaatschappij maakten de reddingboot van “Eierland”, de “Dorus Rijkers” en de
C. A. den Tex” tochten. De kosten daarvan waren in totaal f 245. behalve de kosten van de brandstof.

 

Uit: De Heldersche Courant, 24/09/1929; p.2/8

Jol weggeslagen met een man, nabij Harlingen gevonden.

Zondagmorgen werd alhier bericht ontvangen van Texel, dat een Harlinger schipper aldaar gemeld had, dat Zaterdag een jol, waarin een man zat, weggeslagen was. Aan de reddingboot was draadloos verzocht ernaar te zoeken. Oppgegeven werd, dat de boot zich bevond tusschen het Oude Vlie en het Scheurrak. In den namiddag werd bericht ontvangen, dat de boot met den opvarende, bij Harlingen was gevonden. De “Dorus Rijkers” is in verband met het bovenstaande uitgevaren, doch te 7.15 in de haven teruggekeerd.

Van andere zijde kwamen hierover nog nadere berichten in, waarvan het volgende bericht uit Texel een goede samenvatting is:

Texel, 28 Sept. Van den vuurtoren af bemerkte de lichtwachter in den nacht van Zaterdag op Zondag stakelvuren op de Eierlandsche gronden. Onmiddellijk werd de plaatselijke reddingscommissie hiermede in kennis gesteld en men besloot de reddingboot van De Cocksdorp naar het in nood verkeerende schip te zenden.

Daar dezer dagen de motor uit de reddingboot is genomen omdat er waarschijnlijk een nieuwe in geplaatst wordt, moest men, als vroeger, weder van roeiers gebruik maken.

De reddingboot koos zee, doch na een zeer moeilijke reis gelukte het eerst na vijf uur ’t stakelende schip te bereiken. Het was een tjalk geladen met schelpen. Aan boord was een ongeval geschied waarom de vrouw van de schipper in doodsangst stakelvuren was gaan afgeven. De schipper was n.l. tijdens den storm bezig een roeiboot leeg te scheppen, toen plotseling de vanglijn brak; de schipper trachtte nog naar het voor anker liggende tjalkschip terug te roeien doch vergeefs. Met het ranke bootje dreef hij ’t Eierlandsche Gat in. De reddingboot had de boot niet gezien, zoodat men zich ernstig ongerust maakte over den schipper.

Gelukkig bleek deze gered te zijn door een motorschip, en te Harlingen behouden aan wal gebracht. De schipper was geheel uitgeput door vermoeidheid en koude.

 

De “Dorus Rijkers” zoekt naar een vermiste jol op 8 maart 1832

 

Jol van Motortjalk Elodie

Schipper: G. van Damme

Datum: 08.03.1932

Station: Helder/Lutjewaard

Aantal geredden: 1

Redding nr: 164

 Uit: De Reddingboot nr;35 januari 1933; Blz.976

De “Dorus Rijkers” zoekt naar een vermiste jol.

Op den 8sten maart 1932 lag de motortjalk “Elodie”, thuis behoorende te Terneuzen, schipper G. van Damme, ten anker beoosten Texel, waar vlas werd geladen aan de loswal te Oost. Er woei een storm uit het Westnoordwesten, kracht 8, met hooge zee. Toen gebeurde het, dat schipper Van Damme in de jol van zijn tjalk op drift geraakte bij een poging om een paar luiken op te pikken, die door den storm overboord waren geslagen, en dat hij zijn schip niet meer kon bereiken. De havenmeester van Texel, die er kennis van had gekregen, dacht natuurlijk dadelijk weder aan onze “Dorus Rijkers”. Hij telefoneerde met den Secretaris der Commissie en ten 10.10 uur vertrok de “Dorus Rijkers” uit de haven en zocht den geheelen Zuidwal af. Ten 12.30 was de reddingboot te Wieringen en telefoneerde van den Oever, dat omtrent de jol niets bekend was, waarna onmiddellijk de pogingen tot opsporing weren voortgezet. De vermiste schipper was intusschen langs een der steekbakens gedreven en was er in geslaagd dit te pakken te krijgen. Aan dit steekbaken lag hij geruime tijd met zijn jolletje vast. Daar de zee hoog was, rukte de jol hard aan het baken, zoodat dit tenslotte brak, waarna de jol voor den wind werd voortgedreven en ten slotte op een der droogvallende waarden, een gedeelte van den Lutjewaard, aan den grond liep. Daar pikte schipper Rotgans van de Wieringer vischschuit de “WR 233”, die toevallig daar aanwezig was, den schipper op. Later kwam de “Dorus Rijkers”, die de vischschuit en jol, die op lager wal zaten met wind en stroom tegen, op sleeptouw nam. ten 19.05 was de “Dorus Rijkers” te Nieuwediep terug. De “Dorus Rijkers” was bijna 9 uren weg geweest. De kosten, die door de Reddingmaatschappij worden gedragen, bedroegen f 55,–, behalve de 162 liter brandstofolie, enz. wij ontvingen het volgende schrijven van den vader van den op drift geraakten tjalkschipper.

De Heer Jac. Van Damme Steenberglaan 48, Terneuzen, schrijft;

“Naar aanleiding van het dato 8 dezer te den Helder aan mijn zoon overkomen ongeval, betuig ik U hiermede, ook namens mijn zoon, mijn welgemeenden dank voor de door de bemanning van uwe reddingboot “Dorus Rijkers” verleende hulp. Ik verzoek U beleefd mijn dank eveneens aan die bemanning te willen overbrengen”

Dit doen wij nogmaals bij deze.

 

Uit: De Reddingboot nr.36 juni 1933 blz. 1006                                                                                               

Op 8 Maart zocht de motorreddingboot “Dorus Rijkers” te Den Helder naar een vermiste jol, bemand met 1 man en vond deze.

 

 Uit; De Heldersche Courant, 08/03/1932;p.6/12

DEDORUS RIJKERSUIT

Even later bereikte ons nog het bericht dat de “Dorus Rijkers” was uitgevaren om een jol op te pikken, die met eenige personen was losgeslagen van een tjalk welke bij de Cocksdorp op de Zuiderzee voer. De jol dreef in de richting van Wieringen.( Nadere berichten ontbreken nog).

 

Uit; De Alkmaarsche Courant,09/03/1932;p.7/8

Een afgedreven jol, hoe de schipbreukeling gevonden werd.

Door den hevigen wind sloegen gisterochtend eenige luiken los van een in de haven van Cocksdorp liggende tjalk. Schipper Damma begaf zich direct in de jol en trachtte de luiken weer op te visschen. Door den krachtigen N.W. wind dreef hij echter af in de richting van Wieringen.

Van Texel waarschuwde men Den Helder vanwaar na eenigen tijd de “Dorus Rijkers” op onderzoek uittoog. Onderwijl dobberde Damme in zijn jol reeds eenige uren op zee. Zijn positie in het kleine vaartuigje was soms zeer hachelijk. Door het overkomende water werd hij doornat, en begon hij den toestand donker in te zien.

Om ongeveer half vier werd hij eindelijk opgemerkt door een botter, de Wieringen no.230,schipper N Rotgans, die den uitgeputte schipbreukeling oppikte. Kort hierna kwam ook de “Dorus Rijkers” aangevaren, die hem overnam en hem veilig in de Heldersche haven bracht, waar Damme weer op zijn verhaal kon komen.

 

Uit; de Wieringer Courant,11/03/1932;p.2/6

Red;bovenstaande verhaal uit de Alkmaarsche Courant was letterlijk overgenomen, maar men vermeldt verder een artikel uit de Texelsche Crt;

Oost. Dinsdagmorgen is de nog jonge schipper van een Zeeuwsch schip, dat aan de loswal vlas moest laden, bij zijn pogingen om een paar weggeslagen luiken met een roeiboot aan boord te halen door de heftige wind en de sterke stroom afgedreven. Hij had geen anker aan boord en kon door roeien onmogelijk de wal meer bereiken. Wel kon hij zich ongeveer een half uur vasthouden aan het rooie baken op het Diep, maar toen knapte het af.

Pogingen van visschers om hulp te verleenen, moesten falen. Door de rukwinden was zeilen levensgevaarlijk, terwijl men ook in de roeiriemen geen vertrouwen durfde stellen. Zoo dreef de schipper dus nog verder af.

Men stelde zich toen echter in verbinding met de “Dorus Rijkers” met welke reddingboot men de man in de roeiboot, een speelbal van wind en golven, zou trachten op te pikken.

( toen ons Dinsdagmorgen dit bericht per telefoon bereikte, was de schipper van de loswal te Oost af vrijwel niet meer te zien. Hij dreef af in de richting van Wieringen.—Red.

Naar Oudeschild werd om hulp getelefoneerd. De motorsloep “Watertaxi” uit Amsterdam, welke de “Marsdiep” sleepassistentie verleent, – schipper G. Peteren, met tevens aan boord de heer D.Krijnen Fz.Sr. –  verliet hierop de haven, maar kon de roeiboot niet ontdekken. Druipnat van het overkomende buiswater keerde men terug. Ook de “Dorus Rijkers” was uitgevaren, en deed te half drie de Texelsche haven aan. Later koerste ze weer om de Oost. Op Wieringen was toen van de sloep nog niets bekend.

 

Laatste Nieuws:volgens Dinsdagavond uit Den Helder ontvangen bericht, is de schipper tegen de avond onder Wieringen door een Wieringer visscher opgepikt. Door de “Dorus Rijkers” werd de visschersschuit en de roeiboot naar Den Helder op sleeptouw genomen. – de schipper is dus in veilige haven. Gelukkig!  Hij moet het kwaad te verantwoorden hebben gehad.

De man is 24 jaar en ongehuwd.

 

Uit; Heldersche Courant, 10-03-1932;P.5/8.

De afgedreven Jol.

Een vreselijk avontuur.

Dinsdagmorgen dreef, zoo wij reeds meldden, nabij de Cocksdorp een jol af, welke aan een tjalk bevestigd was, en waarin zich een of meerdere personen bevonden.

De “Dorus Rijkers” is direct na het ontvangen  van het bericht uitgevaren om de jol op te pikken.

Thans kunnen wij nader het volgende melden;

Dinsdagmorgen 8 uur sloegen eenige luiken los van een tjalk welke aan den steiger te De Cocksdorp was gemeerd. De schipper van de tjalk, trachtte met de jol deze luiken weder op te halen, doch door den krachtigen noord-westerwind dreef hij af in de richting van Wieringen. Ruim zeven uur heeft de schipper in het kleine bootje rondgedobberd. In den noord-westerstorm was dit een verschrikkelijk avontuur. Nu en dan had de schipper, Damme geheeten, geen hoop meer op zijn redding. Gelukkig werd tegen den middag de wind wat zwakker.

Eindelijk, om ongeveer half vier, werd hij opgemerkt door de “Wieringen 230”, schipper N. Rotgans, die den geheel natten, verkleumden en uitgeputten man aan boord nam.

Daar de “Wieringen 230” een zeiler is kon deze boot niet veel uitrichten, doch gelukkig kwam de “Dorus Rijkers”niet veel later langszij. Deze nam de “Wieringen 230”mede naar de Heldersche haven waar Dinsdagavond 7 uur de sleep aankwam.

De blijde reddingsmare werd direct naar Texel geseind.

 

Uit; Schager Courant,10-03-1932,P.6en 7/10.

Naar aanleiding van het uitvaren van de “Dorus Rijkers”, welk schip gisteravond laat in de haven terug gekeerd is, hebben wij ons tot den commissaris van het Loodswezen gewend, die ons bereidwillig over een en ander inlichtingen verstrekte. Texel had n.l. Dinsdagmorgen vroeg het havenkantoor alhier opgebeld, en dit meegedeeld, dat er bij de Cocksdorp een vaartuig was weggeslagen, dat naast een tjalk lag en waarschijnlijk door de golven naar de Wieringer gronden zou gesleept worden. Schipper Bot riep z’n mannetjes bij elkaar en spoedig daarna verliet de reddingboot Den Helder.

Later op den dag werd nu hier vernomen, dat de schipper van de tjalk, van Dammen. Die aldaar lag met het doel vlas te laden, in den vroegen morgen gemerkt had, dat er een paar luiken van z’n schip over boord gewaaid waren. Half gekleed sprong hij in het jolletje, dat achter het schip bevestigd was en probeerde z’n materiaal weer op te pikken. Door ’t ongunstige weer kon hij echter niet de verbinding vasthouden en sloeg los. Toen ’s avonds laat de “Dorus Rijkers”teruggekeerd was, met de “Wieringen 233” op sleeptouw, werd de rest van ’t verhaal vernomen.

De schipper werd, zooals wel vermoed was, naar de Wieringer gronden gedreven. Door den sterken stroom en de hooge zee kon hij niets uitrichten. Eindelijk gelukte het hem de baastok van een boei te grijpen en klampte zich hieraan een tijdlang vast. De stok knapte echter af en daar ging ’t weer op dezelfde manier. Tenslotte sloeg het jolletje aan den grond en werd in dien toestand opgemerkt door de “Wieringen 233”; schipper Rotman liet direct hulp aanrukken en niet lang daarna werd de onfortuinlijke schipper aan boord geheschen.

De “Dorus Rijkers”, wier zoeken door de geheel met vlokschuim bedekte zee zeer bemoeilijkt werd, vond laat in den middag de “Wieringen 233”en sleepte die de Heldersche haven binnen. Zoo liep voor den man in de jol de zaak toch nog goed af, ofschoon deze danig voor zijn hoekje bevreesd is geweest.

Het gebeurde op 25 oktober 1932

Kotter HD 108 “Uit Gunst Verkregen”
Eigenaar/schipper: M. Slot, Den Helder
Datum: 25.10.1932
Station: Helder/Zuidpunt Texel
Aantal geredden: 4
Redding nr:176

Uit: De Reddingboot nr. 35 januari 1933;Blz.985 en 986

Een Heldersche vischkotter gestrand. De “Dorus Rijkers” redt de bemanning

Op den 25sten October te 19 uur werd bericht ontvangen van de kustwacht, dat een vaartuig stakelvuur toonde in het Molengat. De wind was Westzuidwest, kracht 6, zwaar bewolkte lucht met regenbuien, aanschietende zee. Terwijl de bemanning van de “Dorus Rijkers” werd opgeroepen, kwam het bericht, dat het vaartuig, dat aan de Zuidwestpunt van Texel, ongeveer bij paal 8, zat, vuurpijlen had afgestoken.De “Dorus Rijkers” vertrok ten 19.30 ter redding. In het Molengat gekomen, bleek, dat het vaartuig op het strand zat en dat het een klein vaartuig was, zoodat het in de duisternis en door den geringe afstand tot het strand, moeilijk zou zijn verbinding te krijgen. Toen dit dan ook niet lukte besloot schipper Bot een werpanker in zee te zetten om met het achterschip verbinding met het gestrande vaartuig te krijgen. Dit gelukte ten slotte met veel moeite, zij het dan ten koste van een lichte beschadiging van de “Dorus Rijkers” aan hekwerk en dek achteruit.De vier aan boord aanwezige menschen konden gered worden. Daarna werd het anker gelicht en ten 21 uur 45 min., dus 2 uur 15 min. Na het vertrek uit de haven, was de “Dorus Rijkers” weder gemeerd en de geredde bemanning geland. Het gestrande schip was de “HD 108”, een stalen vischkotter, gezagvoerder Michiel Slot, bemand met vier koppen, den gezagvoerder inbegrepen, geladen met versche visch. Anderhalf uur na het oogenblik der stranding was de bemanning gered. De kosten, die door de Reddingmaatschappij werden gedragen, waren ƒ 75.— en 50 liter brandstof. De reparatie der beschadiging kostte bovendien ƒ 48.95. de “Dorus Rijkers” was bemand als volgt; C.Bot, schipper, R.Eelman, machinist, J.A.Oostendorp, stuurman en 2de machinist, K.Bijl, C.Bijl. W. de Boer en P.Bot, opstappers.

 

Uit: De Reddingboot nr.36 juni 1933 blz.1006

Op 25 oktober redde de motorreddingboot “Dorus Rijkers” te Den Helder de bemanning van den stalen vischkotter HD 108, die op de kust van Texel was gestrand.

Uit: Historie Bureau Wijsmuller

De “HD 108”, die op 25 oktober 1932 op de kust van Texel is gestrand, is de volgende dag door de “Utrecht”vlot gebracht. De “HD 108” was bij de stranding haar schrof verloren.

Uit: “Tussen Haaks en Nieuwediep” (blz 117/118),ISBN; 9064552371 van Ger van der Burg

De “UIT GUNST VERKREGEN” uit de gunst

Een slecht weerbericht op dinsdagmorgen 24 oktober 1932. “Verwacht wordt harde tot storm toenemende noordwestelijke wind met zware buien”, deelde de nieuwslezer van het ANP, die bij de nieuwsuitzending de weersvoorspelling van het KNMI in De Bilt voorlas, aan zijn luisteraars mede. Bij dat weerbericht werd tevens een waarschuwing uitgesproken voor de scheepvaart op de Noordzee en de Nederlandse kustwateren, dit luidde als volgt; “Voor alle districten van de Nederlandse kust geldt de volgende waarschuwing. Overdag harde wind uit het noordwesten, toenemend tot stormachtig windkracht acht. De wind zal vermoedelijk draaien naar het noordwesten en in de nacht toenemen tot storm windkracht acht”.

Die avond zag de dienstdoende kustwachter op de uitkijtoren in Huisduinen een schip in het Molengat dat stakelde en vuurpijlen afschoot. De kustwachter peilde het vaartuig, dat hij voor een klein stoomschip aanzag, ter hoogte van strandpaal 9 op Texel.

Onmiddellijk daarop werd de vertegenwoordiger van de reddingboot ( commissaris van het loodswezen) en de agent van de in Den Helder gestationeerde sleepboot ingelicht, die daarop de bemanningen van hun schepen aan boord riepen.

Als eerste ontmeerde de motorreddingboot “DORUS RIJKERS” en verliet met schipper Coen Bot aan het roer de haven. Niet lang daarna verliet ook de sleepboot “UTRECHT”, met kapitein Bart Kuiper op de brug en een bemande bergingsvlet op sleeptouw, haar ligplaats en stoomde, dikke zwarte rookwolken uitstotend, naar de plaats waar de noodseinen waren gezien.

Het weer was toen nog niet zo slecht, windkracht 6, maar buiten de haven liep een behoorlijke hoge golfslag. Op de rede staken de volle kracht lopende schepen de kop diep in de golven. Achter de sleepboot danste de motorvlet hevig op en neer. In het Molengat waren een paar lichtjes te zien. De “DORUS RIJKERS” lag langszij van het gestrande vaartuig, dat geen stoomboot maar de Helderse kotter “UIT GUNST VERKREGENHD 108 was.

Schipper Michiel Slot, die op maandagavond 23 oktober naar zee was gegaan, had die dinsdagmorgen, gewaarschuwd door een snel dalende barometer, het vissen gestaakt en na het halen van de netten koers naar de thuishaven gezet. Bij het binnenvaren van het Molengat had de kotter een paar zware stortzeeën te verwerken gehad. Even later begon de motor kuren te vertonen en na een paar minuten gaf de voortstuwer er de brui aan. Voordat die opnieuw was gestart was het schip, voortgedreven door stroom en wind, op een zandbank vastgelopen.

Op de reddingboot moest danig gemanoeuvreerd worden om niet naast de “UIT GUNST VERKREGEN “op de zandbank vast te raken. Schipper Bot liet een werpanker uitgooien om vervolgens zijn schip naar de gestrande kotter te laten zakken. De reddingboot kwam daarna, hevig stotend en zwaar slingerend, bij het achterschip van de HD 108.

Schipper Slot wilde aanvankelijk zijn kotter niet verlaten. Wel gaf hij zijn vierkoppige bemanning, waaronder zijn twee zoons, opdracht van boord te gaan.

Bot maakte hem echter op zijn gevaarlijke positie opmerkzaam. De golven sloegen reeds over zijn schip en bij het aanwakkeren van de wind zou dat nog wel erger worden.

Als Slot aan boord bleef zou hij bij het stijgen van het water zijn toevlucht in de mast moeten zoeken. Het was dan maar de vraag of de reddingboot hem dan nog kon bereiken, was een van de argumenten die de reddingbootschipper aanvoerde om hem van boord te halen. Uiteindelijk zwichtte de schipper van de HD 108 voor die argumenten en stapte over op de “DORUS RIJKERS”.

Aan het uitgebrachte anker kon de reddingboot naar dieper water worden gehieuwd waarna koers werd gezet naar de Helderse haven.

Nadat kapitein Kuiper van Bot had vernomen dat hij met zijn sleepboot met geen mogelijkheid in de nabijheid van de kotter kon komen stoomde de “UTRECHT” naar de haven terug.

De vogende morgen bij het dagworden voer de sleepboot met de bergingsvlet op sleeptouw opnieuw naar de strandingsplaats. Wind en golven waren de HD 108 goedgunstig geweest. Met wat moeite konden de bergers een sleepverbinding tot stand brengen en na een paar uur trekken kon het scheepje worden vlotgebracht.

In de haven afgemeerd bleek de kotter weinig zichtbare schade te hebben opgelopen, wel was de schroef verloren gegaan. Voor een nader onderzxoek liet Slot zijn schip in een droogdok opnemen.

De bergingsmaatschappij – Wijsmuller van IJmuiden – rekende voor het vlotbrengen van de kotter vijfentwintig honderd gulden.

 

Uit: De Helderse Visserij van 1945 tot 2000 blz.218

02-01-1931 HD 108 “Uit Gunst Verkregen” eigenaar M Slot

07-07-1945 Tijdens het vissen op een mijn gelopen en gezonken. Drie opvarenden, J Lips, motordrijver, O Bais en E Zwaan, beiden matroos, kwamen hierbij om het leven. Schipper J Slot en stuurman J de Boer raakten zwaar gewond.

Uit: De Schager Courant,26/10/1932;p.1/10

Vischkotter in het Molengat gestrand

Vier personen gered.

Den Helder, 25 October.—Hedenavond ongeveer7 uur is in het Molengat op de Texelsche kust de Heldersche vischkotter H.D. 108 gestrand. De bemanning, bestaande uit 4 personen werd door de “Dorus Rijkers” gered. De sleepboot “Utrecht” van het bureau Wijsmuller mocht er niet in slagen verbinding met de boot te krijgen. Het is twijfelachtig of de kotter nog behouden kan worden. Woensdagochtend zullen door het bureau Wijsmuller opnieuw pogingen gedaan worden het schip vlot te krijgen.

Men meldde gisteravond uit Den Helder aan de N.R.Ct.:

Vanavond ongeveer 7 uur is in het Molengat op de Texelsche kust ongeveer ter hoogte van strandpaal 8 de Heldersche vischkotter HD 108 gestrand. Het vaartuig was Maandagavond naar zee gegaan, doch door het opkomende slechte weer op weg naar Den Helder. Waarschijnlijk is het door een regenbui overvallen, waardoor het uitzicht slecht werd, zoodat het schip op het strand liep. Door middel van vuurpijlen werden noodsignalen gegeven, welke door de kustwacht in Den Helder werden opgemerkt, die onmiddellijk de reddingsboot waarschuwde.

Om ongeveer half acht vertrok de reddingsboot “Dorus Rijkers” onder leiding van schipper Bot naar de plaats van de stranding. Om ongeveer 8 uur volgde de sleepboot “Utrecht” van bureau Wijsmuller. De “Dorus Rijkers” is erin geslaagd de vier opvarenden te redden, doch onder zeer moeilijke omstandigheden. De kotter is in laag water gestrand, zoodat de reddingbooit zeer voorzichtig moest manoevreeren om zelf niet aan den grond te komen. Een werpanker werd uitgebracht om de reddingboot weder in zee te krijgen. De “Dorus Rijkers” kon slechts met den achterstreven bij den spiegel van het gestrande vaartuig komen hetgeen de redding zeer bemoeilijkte. De reddingboot liep herhaaldelijk aan den grond.

Aanvankelijk wilde de schipper niet van boord, daar hij gedurende den nacht zijn schip wilde bewaken.

Een van zijn zoons wilde naar zijn vader terug. Schipper B. wees hem er echter op, dat de toestand des nachts zou verergeren. De golven sloegen reeds over het schip en met den vloed zou het zeker geheel onder water komen. Daarop zijn de vier schipbreukelingen aan boord van de reddingboot gegaan, die hen naar Den Helder heeft gebracht. De “Utrecht” moest onverrichterzake terugkeeren, daar geen verbinding tot stand kon worden gebracht.

De H.D. is een ijzeren visschersvaartuig en behoort toe aan M.Slot te Den Helder, den schipper die erop voer met twee zoons en een matroos. Het is nog niet zeker of het schip geborgen kan worden; dit hangt er van af hoe het zich in den nacht zal houden.

Morgenochtend half zeven vertrekt het bergingspersoneel van de fa. Wijsmuller naar het schip om te trachten het vlot te brengen.

Uit: Heldersche Courant 27/10/1932; p.5/8

Met de „Utrecht’’ erop uit,De kotter „H.D.108’’ gestrand

De „Dorus Rijkers’’ redt de vier opvarenden.

Het Havenkantoor, waarvan de wachters ons steeds trouw op de hoogte houden van alle gebeurtenissen die op zee en in de haven plaats vinden, stelde ons Dinsdagavond met het feit in kennis, dat in het Molengat, op de kust van Texel, ter hoogte van strandpaal 8, een stoomscheepje was gestrand, dat door stakelvuren en vuurpijlen om hulp vroeg.

Een stoombootje bleek het later niet te zijn, het was de vischkotter „H.D.108’’, die het juiste vaarwater was kwijt geraakt, doch dit kwamen wij pas later aan de weet.

Evenals den vorigen keer was de chef van bureau Wijsmüller, de heer De Bos, zoo vriendelijk ons toe te staan met de „Utrecht’’ mee te varen en om ongeveer 7.30u.stapten wij aan boord, of liever vielen wij aan boord. Er branded geen lichtje. Eén misstap en de verslaggever lag op dek.

„Ho, wat is dat”, kwam een zware stem, die later aan kapitein Kuiper bleek te behooren, uit de donkerte. „Dat is de verslaggever, die aan boord tuimelt”, antwoordde de landrot.

Het zeegat uit

Het bleek, dat alleen kapitein Kuiper nog maar aan boord was. De bemanning werd in allerijl opgepord. Achter de „Utrecht” ronkt een motor, het is de „Dorus Rijkers”, die klaar gemaakt wordt en dan ook weldra uitvaart.

Achtereenvolgens komen de leden van de bemanning aan boord. Daar is de stuurman, daar komt de groote figuur van den meester, die ervoor zal zorgen, dat de „Utrecht” straks zijn plicht zal kunnen doen. De marconist, de heer Hoebe, is van oordeel, dat het wel geen groot schip zal zijn dat gestrand is, hij hoort tenminste niets door de radio. Aan den kant staat een aantal vletterlui.

„Kan ik mee, kapitein”, vraagt één hunner aan den heer Kuiper.

„Jawel’,zegt deze, „je kan in de motorvlet, maar, op avontuur”.

„De vletterlui zijn niet erg wild”, wordt er gezegd. De meester heeft zijn machine stoomklaar gemaakt. De trossen worden ingehaald en de plank wordt aan wal gebracht. Langzaam varen wij van den kant. De roode lantaarn van het Havenkantoor steekt boven alles uit en doet verwachten, dat er aanstonds op de ruimte nog wel iets valt te beleven. Het is geen stormweer, de windkracht is ongeveer zes en daardoor staan er, althans voor niet-zeelui toch nog vrij behoorlijke golven. Het is pikdonker. De lichten van de „Utrecht” schijnen op het schuimende water, dat door den boeg wordt opgeworpen. Het is een prachtig gezicht, doch ik ben waarschijnlijk wel de eenigste aan boord die het uit dat oogpunt beschouwt.

Aan alle kanten zijn lichten en lichtjes. Wanneer niet de vuurtoren van Huisduinen zijn regelmatige stralen over ons heenzond, zou oriëntatie voor mij wel wat moeilijk vallen. Niet echter voor kapitein Kuiper, die hier bekend is als in zijn eigen huis. Onfeilbaar geeft hij zijn commando’s aan den roerganger. Zonder ook maar één keer op het kompas te kijken weet hij nauwkeurig welken koers wij voorliggen.

Achter ons danst de motorvlet, die wij op sleeptouw hebben. Daarin bevinden zich de stuurman en nog een paar menschen. Van de vlet zelf is niet veel te zien.

Slechts door het opwerpen van het water is te bemerken, dat wij wat op sleeptouw hebben. Wij varen het Molengat in. Hier zijn zoo goed als geen bakens om ons den weg te wijzen, waarom het lood er aan te pas komt. Regelmatig wordt de diepte afgeroepen, welke even regelmatig door den kapitein op de brug wordt herhaald. Het valt niet mee om op een sleepboot behoorlijke notities te maken. Een gereserveerde persplaats is er niet. Half over boord hangend, bij het licht van den stuurboordlantaarn moet ik het een en ander opschrijven.

Bij de strandingplaats

In de vlet beginnen ze te schreeuwen. Sjonge, wat kunnen die een keel opzetten. Kapitein Kuiper brult terug. Door den wind verwaait het geluid echter. Het eenig verstaanbare woord is „lekko’’. De „Utrecht’’ stopt. Het blijkt, dat de vlet er op zijn eigen houtje vandoor wil gaan. Vooruit aan stuurboord is een licht te bemerken, dat is het gestrande vaartuig. Eenige lichtjes bewegen zich er om heen. De „Dorus Rijkers’’ is al bezig met de reddingpogingen. Met de Morselamp roept de marconist de reddingboot aan, welke echter geen antwoord geeft. Aan den stand van de lichten is te zien, dat de „Dorus’’ een zware slagzij maakt, waarvan wij de reden later vernemen.

„Dat wordt niks’’, zegt de kapitein, „ maar we zullen probeeren wat dichterbij te komen. Het lood wordt nog steeds gebruikt. Vier vaam, drie en een half schraal drie en een half en zoo gaat het door. Volgens mijn mening zijn wij nu vrij-dicht bij het strand. De blink van den vuurtoren van Eierland doet de duinenrij van Texel zwart uitkomen.

De „Dorus Rijkers’’ komt op ons toevaren. De lichten van de reddingboot schijnen over het schuim van de golven, wat een fantastisch en prachtig gezicht oplevert, vooral als het buiswater over het vaartuig spat.

De volgende oogenblikken is er een geschreeuw van je welste tusschen de „Utrecht’’ en de „Dorus Rijkers’’. Het blijkt dat de vier opvarenden al gered zijn, zoodat wij wel weer kunnen terugkeeren. Beiden zetten wij koers naar Den Helder, de „Dorus’’ kon ons niet bijhouden en wij komen even voor. Dezen voorsprong geven wij echter buiten het Molengat weer prijs, daar wij op de motorvlet moeten wachten. Niets is echter te zien, waarop van de morselamp gebruik wordt gemaakt om te weten te komen waar deze zich bevindt. V-l-e-t, schittert het van den top van den voormast en al spoedig komt ergens uit het donker het sein „begrepen’’.

Naar huis

Gezamenlijk gaan wij nu huis-toe. Een groot aantal lichtjes bevinden zich nu langs de kust bij Den Helder en nu is het maar de kunst om die twee uit te zoeken waar wij tusschendoor moeten varen. Al waren er echter nog honderd bij, dan zou de kapitein echter nog geen oogenblik aarzelen om de twee goede er uit te pikken.

Stuurboord van ons begint een lichtje te knipoogen. Het is de toren die ons oproept om inlichtingen te vragen. De heer Hoebe stelt deze nieuwsgierige menschen gerust met zijn morselamp.

Om ongeveer tien uur liggen wij weer gemeerd voor het Havenkantoor. Uit een verslaggeversoogpunt bekeken heb ik weer een fijnen tocht achter den rug.

De stranding en het werk van de reddingboot

We hadden nog een onderhoud met schipper M.Slot, van de „H.D.108’’ en met den heer Bot. Eerstgenoemde vertelde ons, dat hij Maandagavond naar zee was vertrokken. Met het oog op het opkomende slechte weer waren zij weer op weg naar Den Helder, toen de stranding plaats vond. De schipper bevond zich met twee zoons en een matroos aan boord.

De heer Bot vertelde ons, dat de redding onder zeer moeilijke omstandigheden gepaard ging. Het was laag water toen de „H.D.108’’ op de bank liep, zoodat het voor de „Dorus Rijkers’’ oppassen was om zelf niet aan den grond te komen. Daarom werd een werpanker uitgebracht en hieraan heeft men de reddingboot tot bij het gestrande vaartuig laten vieren. Dit was noodig om de „Dorus’’ weer naar zee te kunnen hieuwen als de schipbreukelingen waren overgenomen, daar het onmogelijk was om van die plaats op eigen kracht weg te varen. Dit verklaart de slagzij van de reddingboot die aan boord van de „Utrecht’’ was opgemerkt.

Door deze manoeuvre kon de „Dorus Rijkers’’ de „H.D.108’’ slechts met zijn achtersteven benaderen. De positive van dit schip was voor de redding ook niet zeer gunstig, daar het vaartuig met den Spiegel naar de reddingboot toelag. Ondanks deze omstandigheden is men er in geslaagd de vier opvarenden aan boord te krijgen. Aanvankelijk wilde schipper Slot zijn vaartuig niet verlaten. Hij wilde gedurende den nacht de wacht houden.

Eén zijner zoons wilde toen weer terug om bij zijn vader te blijven. Schipper Bot maakte hem echter op het gevaarlijke van zijn positive opmerkzaam. Reeds met het lage water sloegen af en toe golven over het schip heen, hetgeen met hoog water dus wel erger zou worden. Hij wees Slot er op, dat hij gedurende den nacht dan wel een toevlucht in de mast zou moeten zoeken. Slot is daarop ook aan boord van de reddingboot gegaan.

De „Dorus Rijkers’’ stiet herhaaldelijk op den grond, wel een bewijs, dat het gebruiken van het werpanker absoluut niet overbodig was. De ketting van dit anker is bij het binnenhalen iets beschadigd, terwijl het hekwerk aan den Spiegel ook eenige averij heeft opgeloopen.

De bemanning van de reddingboot bestond uit: schipper C.Bot, den machinist Eelman en de verdere leden der bemanning Oostendorp, K.Bijl, C.Bijl, W. de Boer en den jongsten zoon van den heer Bot, Piet, die volgens zijn zeggen als jongste bediende meevoer.

Schipper Bot en de zijnen kunnen dus weer een nieuwe pluim naast de vele andere op hun hoed steken.

Vlot gebracht

Was het aanvankelijk twijfelachtig of het schip zou worden vlotgebracht, veel hing toch immers af, hoe wind en golven het in den nacht van de stranding zouden toetakelen, de elementen zij goedgunstig voor de H.D.108 geweest en bestond er kans op vlotbrengen.

Bureau Wijsmüller heeft van deze kans voor honderd procent gebruik gemaakt met het resultaat dat het bergingswerk met success bekroond is geworden. Gisterenochtend om ongeveer half zeven voer de „Utrecht’’ uit en met behulp van de motorvlet was tegen twaalf uur de verbinding tot stand gebracht, waarna het trekken kon beginnen, welke pogingen tegen drie uur slaagden.

Het schip was vlot.

Er werd koers gezet naar Den Helder waar men onder groote belangstelling arriveerde. Het bleek, dat het schip weinig averij heeft opgeloopen. De schroef is verloren gegaan, doch verder zijn er uiterlijk geen teekenen van beschadiging. Het vaartuig zal gedokt worden, waarna een nauwkeurig onderzoek kan worden ingesteld.

 

Belgisch ss Charles José Kapitein Popioul

Datum: 04/05.10.1934
Station: Den Helder/t.h.v.Lichtschip Haaks
Aantal geredden: 0
Redding nr: 221
Uit: De Reddingboot 39, april 1935  blz. 1125 – 1128
21.De Scheepsramp bij Lichtschip Haaks.
In den nacht van 4 op 5 October 1934 heeft de motorreddingboot “Dorus Rijkers” bij Zuidwester storm een moeilijke tocht gemaakt naar het bij Lichtschip Haaks in nood verkeerende Belgische ss “Charles José” (groot 551 B.R.T.) Het rapport van den Secretaris der plaatselijke Commissie te den
Helder, P. C. van Diest (Commissaris Loodswezen) zullen wij in zijn geheel overnemen.
Rapport betreffende de reis van de Motorreddingboot “Dorus Rijkers” op 4 October 1934 naar het in nood verkeerende Belgische stoomschip “Charles José”. “Op 4 October 1934 ten 20.05 uur ontving ik via de Kustwachtpost Kijkduin van het Lichtschip Haaks de mededeeling; “Schip in nood. Vermoedelijk een klein vaartuig. Heeft ten 18.33 uur M.T.Gr. (d.i. 19.53 uur pl. Tijd) vuurpijl opgelaten. Peiling Z.O. ong. 2 mijl afstand. Wegens hooge zee niets naders te onderscheiden. Heeft ten 18.45 uur M.T.Gr. een tweede vuurpijl opgelaten. Hebben deze met contra vuurpijl beantwoord”. Onmiddellijk liet ik den Schipper van de motorreddingboot “Dorus Rijkers” zijn menschen oproepen, om zich gereed te maken te varen en verzocht hem, ten einde de juiste positie van het in nood verkeerende vaartuig op de zeekaart aan te wijzen, bij mij te komen. Tevens stelde ik den Agent van den sleepdienst Wijsmuller met het bericht in kennis.
Ten 20.30 uur (pl. T.) ontving ik nader bericht van het Lichtschip Haaks luidende: “Na de bui konden wij de positie van het schip bepalen. Peiling Z.O. ongev. L 1/2 mijl afstand. Voert 2 roode lichten. Trachten seingemeenschap te krijgen, wat vanwege de hooge zee zeer moeilijk gaat.”
Uit deze berichten maakte ik op dat het schip nog vaart maakte. Alhoewel de kans groot was, dat het schip in deze situatie (het toonen van 2 roode lichten) sleepboothulp wenschte, meende ik niets te mogen riskeeren en gaf den Schipper van de motorreddingboot order onmiddellijk te vertrekken,
hetgeen ten 20.40 uur geschiedde. Ten 21 uur vertrok de sleepboot “Utrecht” eveneens naar de plaats des onheils. Ik stelde den gezagvoerder van het Lichtschip “Haaks” met het vertrek der beide vaartuigen in kennis, waarbij ik hem verzocht zoo mogelijk dit bericht aan het in nood verkeerende schip over te seinen en het tevens te vragen, of sleepboothulp dan wel hulp van de reddingboot werd gewenscht. Van het in nood verkeerend schip werd hierop evenwel geen antwoord ontvangen. Intusschen berichtte het Lichtschip “Haaks”, dat het vaartuig geregeld doorging met flambouwen,
vuurpijlen af te steken, welke door het Lichtschip met een vuurpijl werden beantwoord en waaruit werd opgemaakt dat het schip in N.W. richting van positie veranderde. Tusschen de buien door werd vanaf het Lichtschip geconstateerd dat het vaartuig op haar zij lag. De motorreddingboot “Dorus Rijkers”, welke dank zij haar radio-telefonie-installatie, in voortdurende gemeenschap was met het Lichtschip, was hierdoor met den toestand waarin het vaartuig verkeerde, volkomen op de hoogte en spoedde zich met zoo groot mogelijke snelheid derwaarts. Om de snelheid te verhoogen, werd zelfs van de
zeilen gebruik gemaakt. De weersgesteldheid was echter van dien aard, dat zij met buitengewone moeilijkheden hadden te kampen. Tijdens de invallende buien, was het zicht bij tijden geheel weg, terwijl de hooge zee, met den Z.W.
stormwind, welke af en toe kracht 9 bereikte, den voortgang van de reddingboot belemmerde. Door het Molengat werd gekoerst naar het Lichtschip “Haaks”. Ten ongev. 22 uur op ongev. 7 mijl van het Lichtschip werd een lichtkogel afgeschoten, om de aandacht te trekken, waarop evenwel geen
antwoord werd gegeven. Vervolgens werd ten ongev. 22.30 uur op ongev. 4 mijl van de “Haaks” wederom een lichtkogel afgeschoten, waarop door het in nood verkeerend vaartuig met een roode flambouw werd geantwoord. Hierop werd onmiddellijk koers gesteld. Alles werd nu in gereedheid gebracht de schipbreukelingen aan boord te nemen. Het zoeklicht werd ontstoken en hiermede werd de omgeving afgezocht. Om 23.30 uur ter hoogte van het Lichtschip werd andermaal een lichtkogel afgeschoten waarop wederom met een roode flambouw werd geantwoord. Naar schatting was de reddingboot toen nog op ongev. L mijl afstand van het in nood verkeerend schip, hetwelk in Z.W.
richting werd gepeild. Helaas werd na dit teeken geen sein meer gezien. Na tot ± 24 uur in Z.W. richting te zijn doorgevaren, waarbij niets van eenig vaartuig of wrakhout werd bespeurd, werden nadere inlichtingen van het Lichtschip “Haaks” gevraagd, welke mededeelde geen roode lichten meer te hebben gezien, waaruit de veronderstelling werd opgemaakt, dat het schip was gezonken. Ten einde raad werd gekoerst naar een stoomschip, hetwelk later bleek te zijn het Duitsche stoomschip “Biskaje” van Hamburg, hetwelk bijgedraaid lag.  Door het geweld van den storm was het niet mogelijk nadere bijzonderheden van dit schip te vernemen, doch uit het geschreeuw en de gebaren werd opgemaakt, dat het schip was gezonken.
Toch werd met behulp van de intusschen op de plaats des onheils gearriveerde sleepboot de omgeving afgezocht. Zonder resultaat evenwel. Den 5en October, toen bleek dat al het mogelijke was gedaan om de schipbreukelingen te redden en duidelijk was geworden dat een langer verblijf daar ter plaatse geen resultaat meer zou opleveren, heb ik de reddingboot ten slotte laten terugkeeren.
Diep teleurgesteld over de vergeefsche reis en begaan met het lot der schipbreukelingen, heeft de reddingboot onder even zware omstandigheden den terugtocht aanvaard en arriveerde ten 4.30 uur in de haven van Nieuwediep.
Ten slotte moge ik er in dit verband nog aan toevoegen, dat naar mijn vaste overtuiging Schipper C. Bot, Stuurman J. A. Oostendorp, Motordrijver R. Eelman en de matrozen K. Bijl, W. de Boer en P. Bot, allen opvarenden van de motorreddingboot “Dorus Rijkers”, onder deze zeer moeilijke omstandigheden, zich voor de volle 100% van hun zware taak hebben gekweten.
Voorts dat ook bij dezen tocht is gebleken, dat de N.- en Z.-Hollandsche Reddingmaatschappij over een motorreddingboot beschikt, welke onder dergelijke moeilijke omstandigheden, uitstekend voor haar taak is berekend.”
Slechts een der opvarenden van de “Charles José”, de gezagvoerder Pieter Popioul werd gered. Den 5en October ten 7.30 uur ontdekte het Duitsche s.s “Wildenfels” een sloep met den eenigen overlevende van deze ramp op 53° 10’ N.B. en 4° 33’ O.L., d.i. 15 mijl van het Lichtschip “Haaks” in
N.O. richting.

Uit: De Reddingboot nr.67 november 1949 blz.2552
…….Het 500 ton grote Belgische ss “Charles José” zonk in de avond van 4 October ter hoogte van de Haaksgronden, alvorens de mrb. “Dorus Rijkers” die volle kracht naderde, nadat het noodsein van de Belg was gezien, op de plaats van het ongeval was gearriveerd. Een sloep met één enkele overlevende werd later, 15’ NO van het lichtschip Haaks, opgepikt door een passerend stoomschip doch negen zeelieden verdronken.

Uit het rapport van Kapitein Popioul aan den Consul-Generaal van België te
Hamburg ontleenen wij het navolgende: „Het ss “Charles José” vertrok den 3 October 1934 met een lading van 250 ton cokes uit Gent. Den 4en October ten 9 uur passeerde de “Charles José” het Lichtschip Maas. Koers NO 1/2-O Ten 14 uur M.T.Gr. wakkerde de wind (richting ZZW) aan; de zee werd ruw. Een gedeelte van de lading aan dek ging aan S.B. overboord. Ten 18 uur M.T.Gr. (dus 19.20 uur pl. zomertijd) was de “Charles José” ter hoogte van het Lichtschip Haaks. De wind werd
steeds heviger; het schip kreeg zware slagzij: 30° - 40°. Tenslotte bleef het schip op S/B.-zijde liggen en noodseinen werden geheschen. De “Charles José” was toen 2’ bezuiden Lichtschip Haaks. De machines weigerden ten 19.50 uur. Toen het donker werd werden vuurpijlen afgestoken. De geheele
bemanning bevond zich op het achterdek, de slagzij werd steeds grooter.
Iedereen deed zwemvesten om en de reddingbooten werden gereed gemaakt. Eerst was echter het B/B.-anker afgevierd om te trachten het schip recht op de zee en wind te krijgen. De noodsignalen werden beantwoord door Lichtschip Haaks.
Wij dreven in Noordelijke richting weg en peilden Haaks O.Z.O. op 3 1/2’. De wind werd steeds sterker; het bliksemde hevig. Het Duitsche ss “Biskaje” bleef in de nabijheid doch kon ons niet bereiken tengevolge van de hooge en wilde zee. Ten 22.20 uur M.T.Gr. zagen wij een klein schip dat wij voor een sleepboot hielden doch ook dit schip kwam niet naderbij. Wij waren een speelbal van de golven. De geheele bemanning stond aan B/B. bij de machinekamer; S/B.-zijde was reeds onder water; het schip kreeg steeds meer slagzij; de schoorsteen raakte het water en daarop kapsijsde het schip. Ik was de eenige die op de machinekamerkap stond toen het schip kenterde. Ik riep naar de bemanning dat zij er ook op moesten klimmen, dat de S/B.-reddingboot het water raakte en dat ik een slag met den vanglijn had genomen rond een ventilator. Mijn kreten werden slechts beantwoord door
matroos Salminen; later waren wij dicht bij elkaar in zee. Toen het schip volkomen kenterde gleed ik weg, hield mij vast aan den valreep, raakte met valreep en al te water en kwam boven tusschen wrakhout, valreep en reddingboot. Met groote moeite gelukte het mij in de half vol water staande
sloep te klimmen. Matroos Salminen hoorde ik dicht bij om hulp roepen, ik schreeuwde hem toe moed te houden. Mijn pogingen om hem te bereiken gelukten echter niet. Ik dreef van de “Charles José” weg en zag in de verte schepen die vermoedelijk assistentie verleenden. Den 5en October passeerde
het Duitsche ss “Rhein” mij met dagworden op korten afstand. Ik riep om hulp, mijn kreten werden beantwoord met drie korte stooten, ik bleef roepen,
het schip bleef in de nabijheid doch men zag mij niet. Ten 7.30 uur kwam het Duitsche s.s ” Wildenfels”, hoorde mijn kreten en pikte mij op”.

Deze scheepsramp kostte dus aan 9 zeelieden het leven, die met de ´Charles José” ten onder gingen. Het mag een wonder heeten, dat de kapitein werd gered. Zeer weinig heeft het gescheeld of de ´Dorus Rijkers” had hier een prachtige redding kunnen verrichten. De bemanning van de “Dorus Rijkers” heeft echter haar plicht gedaan op de wijze die men van haar kon verwachten.
De fa. Verschueren & Co. te Antwerpen, die aangesteld was om de zaken van den eigenaar van de
  “Charles José”, den Heer van der Perre, die met zijn schip ten onder ging, te regelen, bracht ons den dank over van de familieleden der omgekomen bemanning voor de reddingspogingen.
Ook de Belgische Regeering gaf uiting aan haar dankbaarheid voor de moedige pogingen door de bemanning van de ´Dorus Rijkers” in het werk gesteld.

Uit;Alkmaarsche Courant,05.10.1934,blz 1/12.
Uit; Nieuwsblad van het Noorden,05.10.1934,
ERNSTIGE SCHEEPSRAMP OP DE NOORDZEE
BELGISCH STOOMSCHIP MET MAN EN MUIS VERGAAN, REDDINGSPOGINGEN ONDER
ZEER MOEILIJKE OMSTANDIGHEDEN MOCHTEN NIET MEER BATEN.
Op de Noordzee ten Noordwesten van het vuurschip Haaks, ongeveer 1 1/2 zeemijl hiervan verwijderd, heeft gisteravond tijdens den hevigen storm een scheepsramp plaats gehad. Het Belgische stoomschip „Charles José is hier met man en muis vergaan, nadat vergeefs getracht
was van Den Helder uit hulp te verleenen.
Omstreeks 8 uur gisteravond werd op het vuurschip Haaks waargenomen, dat op genoemden afstand een vuurpijl werd afgegeven. Onmiddellijk werd het bericht van dit noodsein doorgegeven naar de kustwacht te Den Helder, vanwaar terstond hulp werd gezonden. De motorreddingboot “Dorus Rijkers” van de Noord- en Zuid Holl. Reddings Mij. en de sleepboot “Utrecht” van het bureau Weismüller vertrokken ter assistentie. Het werd een zeer zware tocht, die helaas geen resultaat heeft opgeleverd.
Het schip stuurloos.
Toen de reddingboot door het Molengat naar buiten voer en tegen de zeer hooge zeeën worstelde om de plaats des onheils te bereiken, werden op
het vuurschip Haaks van het in noodverkeerende schip twee roode lichten boven elkaar waargenomen, hetgeen beteekent, dat het schip stuurloos was. Voortdurend werden nog
vuurpijlen afgeschoten. Dank zij het feit, dat de “Dorus Rijkers” een installatie voor draadlooze-telefonie aan boord heeft, kon schipper C. Bot voortdurend van Den Helder uit op de hoogte worden gehouden van de berichten, die via ’t vuurschip Haaks werden ontvangen. Gemeld werd, dat zich in de buurt van het in nood verkeerende schip een groote stoomboot bevond, die niet bij het schip kon komen, noch sloepen kon uitzetten.
Ongeveer een half uur voor dat de “Dorus Rijkers” bijna tegelijk met de sleepboot Utrecht op de plaats van de ramp aankwam zag men een laatste vuurpijl afschieten en daarna verdwenen de roode lichten in zee. Toen men een half uur later ter plaatse kwam was niets meer van het schip te zien, zoodat
men wel tot de conclusie moest komen dat het vaartuig, met man en muis was vergaan.
Eenigen tijd werd nog rondgevaren, doch toen men niets vond, werd besloten naar Den Helder terug te keeren. Om 2.15 uur vannacht werd de terugtocht aanvaard en om half 5 hedenochtend liepen
de “Dorus Rijkers” en de “Utrecht” de haven van Nieuwediep weer binnen.

ZWARE TOCHT IN HOOGE ZEEËN.
Schipper Bot van de “Dorus Rijkers”, die voor geen kleintje vervaard is en die niet gauw spreekt van moeilijke tochten, zei dat hij en de 5 andere leden van de reddingboot ’n zeer zwaren tocht hebben gehad en tegen ongekende hooge zeeën hadden moeten strijden. Ondanks dit hadden zij doorgezet. De bemanning betreurde, dat haar tocht tevergeefs was geweest. Volgens een rapport van een later gepasseerd Duitsch stoomschip heeft dit in de omgeving van de plaats van de ramp veel wrakhout aangetroffen.

ONTZETTENDE OOGENBLIKKEN.
De laatste uren aan boord van het vaartuig, dat in den donkeren nacht, met hulp op korten afstand, rond dobberde, moeten verschrikkelijk zijn geweest.
Van 8.05 uur gisteravond af tot na middernacht werden voortdurend vuurpijlen en flambouwen afgestoken. Het in nood verkeerende schip was niet meer dan 1 of 1 ½ mijl afstand van het vuurschip. Voor zoover men aan boord van het vuurschip heeft kunnen waarnemen, schijnt het gezonken schip, eenigen tijd op zijn zij te hebben rond gedreven. De reddingboot “Dorus Rijkers” heeft den afstand van Den Helder naar de plaats des onheils, ongeveer 15 mijl, gezien de omstandigheden, zeer vlug afgelegd. De omstandigheden waren buitengewoon moeilijk. In den storm kwamen zware buien voor met stormkracht  9. De reddingboot moest bijna recht tegen den storm in en daar wind en tij tegen elkaar waren was het water „zeer moeilijk” zooals de zeemansterm luidt. Toen de reddingboot vlak bij het vuurschip was, kon de bemanning van de reddingboot bijna voortdurend niets zien: Gevaren werd op kompas en op de draadlooze aanwijzingen van het vuurschip, de kustwacht te Kijkduin en den
loodscommissaris te Den Helder. Voortdurend stonden deze drie posten draadloos met elkaar in
verbinding en hieraan is het te danken, dat de reddingboot zoo vlug ter plaatse kon komen.

DUITSCH SCHIP KON GEEN HULP VERLEENEN.
Eenigen tijd, nadat de eerste noodseinen waren gegeven, is het Duitsche stoomschip “Balchara” van
Hamburg op ongeveer een mijl afstand van het in nood verkeerende schip gekomen.Groote lichten werden buiten boord gehangen en men schijnt pogingen te hebben gedaan hulp te verleenen.
De zee was echter te hoog. De “Balchara” durfde niet dichter bij het in nood verkeerende schip te komen en reddingsloepen durfde men niet uit te zetten. Toen het schip was ondergegaan, heeft de “Balchara” de reis voortgezet. De bemanning van de reddingboot zijnde stuurman, machinist en 3
opstappers, waren zeer vermoeid. In den loop van den ochtend zou schipper Bot rapport van zijn tocht aan den loodscommissaris uitbrengen.

SLOEP MET 1 MAN OPGEPIKT.
Waarschijnlijk zijn negen man omgekomen.
Het Duitsche stoomschip „Wildenfels” rapporteerde aan het loodswezen te Den Helder, dat het Belgische stoomschip „Charles José” gezonken is 4 mijl Westelijk van het lichtschip Haaks te 23 uur Greenwich tijd. Het stoomschip “Wildenfels” heeft op 53 graden 10 minuten N. B. en 4 graden 33 minuten O. L. een sloep geborgen, waarin zich één man bevond. Een andere boot, waarin zich 9 leden der bemanning van het gezonken stoomschip bevinden, wordt nog vermist. Het Duitsche stoomschip „Kam” heeft een reddingboei gezien en verschillende deelen van het wrak. Om 6 uur hedenochtend werd het laatste hulp geroep gehoord. Waarschijnlijk zijn 9 man omgekomen.

ENKELE BIJZONDERHEDEN OVER HET GEZONKEN SCHIP. De “Charles José” is gebouwd in 1899. Het schip was groot bruto 551 ton en
netto 192 ton.
Den 22 September heeft de „Charles José” van St.Malo naar Fowey koers gezet. Van Fowey was de boot met onbekende bestemming vertrokken.

De kapitein gered.
Naar nader wordt gemeld is de geredde van de „Charles José”, de kapitein van dit stoomschip. Deze schijnt tot het laatste toe aan boord te zijn gebleven en toen alleen in een kleine reddingsboot te zijn gegaan. Hij heeft het geluk gehad, dat deze boot werd opgepikt en hij is thans op weg naar Hamburg.

Uit; Geschiedenis Bureau Wijsmuller;
In den nacht van 4 op 5 October 1934 heeft de sleepboot “Utrecht”bij Zuidwester storm een moeilijke tocht gemaakt naar het bij Lichtschip “Haaks” in nood verkeerende Belgische ss “Charles José”(groot 551 B.R.T.)
Op 4 October 1934 ten 20.05 uur ontving Kustwachtpost Kijkduin van het Lichtschip “Haaks”de mededeling; Schip in nood. Vermoedelijk een klein vaartuig. Heeft ten 18.33 uur M.T.G. ( d.i.19.53 uur pl.tijd) vuurpijl opgelaten. Peiling Z.O. ong. 2 mijl afstand.wegens hoge zee niets naders te onderscheiden. Heeft ten 18.45 uur M.T.G. een tweede vuurpijl opgelaten.
Hebben deze contra vuurpijl beantwoord”. Om 20.30 uur (pl.t.) ontving men een bericht van het Lichtschip “Haaks” luidende; Na de bui konden wij de positie van het lichtschip bepalen. Peiling Z.O. ongev. 1 2/2 mijl; afstand.
Voert 2 rode lichten. Trachten sein gemeenschap te krijgen, wat vanwege de hoge zee zeer moeilijk gaat. Om 21 uur vetrok de sleepboot “Utrecht”naar de plaats des onheils. Tussen de buien door werd vanaf het Lichtschip geconstateerd dat het vaartuig op haar zij lag.Tijdens  de invallende buien,
was het zicht bij tijden geheel weg, terwijl de hoge zee, met den Z.W. stormwind, welke af en toe kracht 9 bereikte, den voortgang van de sleepboot belemmerde. Door het Molengat werd gekoerst naar het Lichtschip “Haaks”.
Ten ongev. 22 uur op ongev. 7 mijl van het Lichtschip werd een lichtkogel afgeschoten, om de aandacht te trekken, waarop evenwel geen antwoord werd gegeven. Vervolgens werd ten ongev. 22.30 uur op ongev. 4 mijl van de “Haaks” wederom een lichtkogel afgeschoten, waarop door het in nood verkerende vaartuig met een rode flambouw werd geantwoord. Hierop werd onmiddellijk koers gesteld. Alles werd nu in gereedheid gebracht de schipbreukelingen aan boord te nemen. Het zoeklicht wed ontstoken en hiermede werd de omgeving afgezocht. Om 23.30 uur ter hoogte van het Lichtschip werd anderemaal een lichtkogel afgeschoten waarop wederom met een rode flambouw
werd geantwoord. Naar schatting was de sleepboot toen nog op ongev. 1 mijl afstand van het in nood verkerende schip hetwelk in Z.W. richting werd gepeild.
Helaas werd na dit teken geen sein meer gezien. Na tot ± 24 uur in Z.W. richting te zijn doorgevaren, waarbij niets van enig vaartuig of wrakhout werd bespeurd, werden nadere inlichtingen van het Lichtschip “Haaks” gevraagd, welke mededeelde geen rode lichten meer te hebben gezien, waaruit
de veronderstelling werd opgemaakt, dat het schip was gezonken. Ten einde raad werd gekoerst naar een stoomschip, hetwelk later bleek te zijn het Duitse stoomschip “Biskaje”van Hamburg, hetwelk bijgedraaid lag. Door het geweld van den storm was het niet mogelijk nadere bijzonderheden van dit
schip te vernemen, doch uit het geschreeuw en de gebaren werd opgemaakt, dat het schip was gezxonken. Toch werd de omgeving afgezocht. Zonder resultaat evenwel. De 5e Oktober, toen bleek dat al het mogelijke was gedaan om de schipbreukelingen te redden en duidelijk was geworden dat een langer verblijf daar ter plaatse geen resultaat meer zou opleveren, is de sleepboot teruggekeerd.

Uit; Alkmaarsche Courant, 06-10-1934,P.10/12.
De schipbreuk bij de “Haaks”.
Onderhoud met schipper Bot.
 Naar aanleiding van de schipbreuk bij de “Haaks”had het Hbld. Een onderhoud met Coen Bot, schipper van de reddingboot “Dorus Rijkers”.
 “Ik was gisteravond juist thuisgekomen, toen de telefoon overging en de Loodsencommissie mij mededeelde, dat een schip noodseinen gaf in de buurt van “De Haaks”, begon Coen Bot. “direct holde ik naar buiten, om de bemanning te waarschuwen. Op een drafje renden die eveneens naar de haven,
waar ondertusschen de “Dorus Rijkers”reeds vaarensgereed  werd gemaakt.
Terwijl de bemanning zich schoeide, besprak ik eenige bijzonderheden met den loodscommissaris. De seinen waren n.l. al te duidelijk geweest. Er was namelijk bericht gekoemen, dat het in nood zijnde schip trwee roode lantaarns voerde, wat beteekend: “0nbestuurbaar”. Twee roode lantaarns worden dan ook vaak meer bedoeld om sleepboothulp aan te vragen.
Even later kwam er echter bericht, dat het schip ook noodseinen gegeven had en met roode stakelvuren werkte.
Toen – ’t was half negen – voeren wij direct uit.
Wij koesrten door het Molengat, rechtstreeks op het lichtschip “De Haaks”aan. Hiermede heb ik aldoor door de telefoon kunnen spreken. Het lichtschip gaf ons regelmatig op, waar het schip zich bevond, en dat was in noordelijke positie. Meer en meer verwijderde het schip zich van ons. Het heeft zich zeker vier mijl van ons in noordelijke richting verwijderd, wat funest is gebleken, want daardoor werd het redden bemoeilijkt en vertraagd.
Geregeld zonden wij lichtseinen af, zoodat ze op het schip konden zien, dat wij in aantocht waren.
Te ongeveer half twaalf ontvingen wij het laatste sein van het schip.
    Op ongeveer een mijl afstand zagen wij de roode flambouw. Vol goeden moed koersten wij in de aangegeven richting. De zee was zwaar en het zicht werd door het hooge water ten zeerste belemmerd. Wij hoopten op een nieuw teeken van leven en tuurden door den duisteren nacht, maar helaas, het roode licht van de flambouw was het laatste teeken van leven geweest, dat de
schipbreukelingen gegeven hadden.
    Wij hebben met het zoeklicht de zee afgezocht. Twee uur lang koesrtenwij.
Het was noodweer. De “Dorus Rijkers”had het zwaar te verantwoorden. Na twee uur zoeken koersten wij op de “Utrecht”af, maar daar wist men even weinig als wij, want ook daar had men geen verbinding kunnen krijgen. Tot op het hemd nat, de laarzen vol water stonden wij op de “Dorus Rijkers”.
Van den wal kon men ons ook geen inlichtingen geven. Van armoede zijn wij toen maar teruggekeerd…….
Boven alles staat het voor mij vast, aldus eindigde schipper Bot, dat ze gebrek aan vuurseinen gehad hebben. In ’t donker van den nacht zijn vuurpijlen van de grootste beteekenis. Die alleen kun je zien. Verder ben je zoo goed als blind op zee. Zeker in een stormnacht zooals wij gisteren meegemaakt hebben”.

Uit; De Heldersche Courant, 06-10-1934; p. 5/24
Belgisch schip vergaan.
De reddingboot arriveert te laat, men ziet het scheepje zinken.
Negen leden van de bemanning verdronken.
Een tocht met de “Utrecht”naar de plaats des onheils.
Het is ons gelukt, om aan boord te komen van de sleepboot”Utrecht” van het Bureau Weismuller, dat uit zou varen om assistentie te verleenen aan het in nood verkeerend scheepje, 2 Mijl ten N.N.W. van het vuurschip “Haaks”.
Wij spoedden ons naar de haven en arriveerden daar toen de geheele bemanning nog niet geheel gepord was. Wij scheepten ons in, via een nat-gladde valreep, nadat ons even van te voren een paar maal was verzekerd, dat we zoo ziek zouden worden als een hond en dergelijke optimistische berichten meer. We hebben ons niet laten afschrikken en zijn daarom getuige geweest van een
emotioneele reis door de branding, die tenslotte helaas geen resultaat opleverde…..
Het zal ongeveer 9 uur geweest zijn, toen de bemanning van de “Utrecht”compleet was en direct daarop het vertreksein werd gegeven.
De Reddingboot “Dorus Rijkers”was juist voor ons de haven uitgeloopen en liep zoo voor ons uit, dat we haar eerst op de plek des onheils weer onmoetten. Het begin van een reis was voorspoedig. Het getij was gunstig, de “Utrecht” snelde als een hinde uit Nieuwediep’s haven. Buiten de peiren
gekomen begon de sleepboot echter behoorlijk te steigeren, maar  daar we in de luwte zaten van Texel—de wind was Zuid-Westelijk—konden we de deining nog goed verdragen. We toonden ons opgewekt en liepen het geheele dek af, hier een praatje makend met den marconist Hoebe, dan een informatie bij de stuurman.
Het laatste werd ons echter spoedig onmogelijk gemaakt, daar schipper Kuiper ons met een grom beduidde, dat we den stuurman niet moesten afleiden.
Intusschen was het gaan regenen, even later goot het zelfs van den hemel. Diep in oliegoed gedoken, den typischen kop onder een grooten Zuid-Wester verscholen stond daar kapitein Kuiper op de brug, op schreeuwende toon zijn commandos gevend…: “Een half streekie West”….”Een beetje naar
rechts”…enz.  weldra zou blijken, dat we te vroeg blij geweest waren, want toen we eenmaal buiten de z.g. Gronden waren, brak het lieve leventje eerst recht aan. De wind had thans vrij spel, geen land was er dat de kracht van den wind meer kon breken. Hoog tornden de golven op, de stevige
“Utrecht” stak zijn ijzersterken kop er prachtig tegen in. Het suisde door het wand en de tuigage van het schip, dat nu danig in snelheid terggeloopen was vanwege den tegenwind. Het was een pikdonkere avond, een enkel licht viel er vóór ons—van de Brandaris te zien, terwijl als we achterom keken de vuurtoren van Huisduinen duidelijk opviel… Het leek steeds erger te worden! De golven voerden nu het scheepje hoog op hun koppen, om het even later in groote waterravijnen weer neer te laten… langzamerhand werd ons het gestamp en geschommel te machtig, we probeerden het zoo lang mogelijk uit te houden, maar de zee was sterker dan wij…want plotseling moesten we de stuurkamer uitrennen en offerden ten eerste male aan de kookende massa. Onverstoorbaar vervolgde de boot zijn weg, terwijl wij ons hoe langer hoe zieker gingen voelen. Dat het slecht was, moge blijken uit het feit, dat ook leden van de toch zoo door en door getrainde bemanning zich niet lekker voelden…
Voort ging het naar de door de “Dorus Rijkers” aangeduide plaats, het hobbelde en danste als een waar kwellingsoord…  We passeerden  een licht, dat van het lichtschip “Haaks”. Nu moesten we er spoedig zijn!
Het kon ons echter niet meer schelen….alles wat gebeurde liet ons volmaakt onverschillig….of we ons ook ellendig voelden…! Daar merkten we, dat er vaart geminderd werd….het geschommel en gedein werd wat minder….blijkbaar waren we gearriveerd.
We hebben nog verzuimd te vertellen, dat onderweg de bemanning reeds een tros had klaargemaakt om in geval van noodzaak het hulpbehoevende scheepje vast te maken….Nu weer geïnteresseerd keken we om ons heen….hel werd het water hier verlicht door de lichtstralen van het lichtschip…. We lagen stil…..
Waar was het schip nu?….
We praaiden de “Dorus Rijkers”, die reeds de geheele omgeving afzocht.
Door den stormwind riepen de beide schippers—op de “Dorus”zat Coen Bot als zoodanig— elkaar iets toe, flarden van zinnen bereikten ons oor, maar we vermochten niet het te verstaan…Even later begrepen we het echter….
Het schip was er niet meer…Het was gezonken! Schipper Coen Bot had het — zooals hij later vertelde — toen hij er nog een mijl van verwijderd was zien ondergaan… onmachtig om hulp te bieden….Helaas het was te laat !
Toen even later de reddingboot op de plek des onheils aankwam hadden de golven reeds het graf gesloten van het scheepje… en van de bemanning?
Omtrent dit laatste hadden we geen zekerheid; wat was dus eenvoudiger dan informaties te winnen bij het Duitsche s.s. “Biskaje”, dat in de directe omgeving voor anker lag? Drie-viermaal en later nog eens riep de marconist Hoebe de Duitscher aan, die echter….geen antwoord gaf! Blijkbaare zat de
marconist niet op wacht. Hoe was dat nu mogelijk, vroegen de Hollandsche schepelingen zich af…
Het was een meewarig somber gezicht die hooggolvende watermassa waarin zoo juist een schip verdwenen was….de zwaar schommelende reddingboot, die zocht…. De stilliggende sleepboot, welke besluiteloos was, wat te doen… het   sromme, zwijgende Duitsche stoomschip…het geheele beeld verlicht door de nieuwsgierig lichtende stralen van de “Haaks”… Wat er toen in ons omging…bij het graf van wie-weet-hoeveel-brave zeelui…
Wat te doen?
Wel, het eenige wat men kón doen! Onverrichterzake terugkeeren….
En zoo had een kwartier later de aftocht plaats, van de “Utrecht”dan…
De “Dorus Rijkers” zocht nog door, maar het nuttelooze inziende, keerde ook zij spoedig, via het Schulpengat, havenwaarts. De terugtocht ging sneller en gemakkelijker, hetgeen natuurlijk kwam doordat we den wind mee hadden, zoodat we niet steeds tegen die hooge golven behoefden op te tornen…Spoedig zouden we dan ook weer thuis zijn…als we geen pech gehad hadden!
Schipper Kuiper was n.l. van plan door het Molengat naar huis te keeren, maar daar aangekomen hing er een dermate dicht regengordijn, dat het met het oog op, de toch al moeilijke navigatie in dit gat, raadzaam was terug te keeren….Toen was Leiden weer in last, want het ging weer recht tegen de
golven in….Gelukkig niet zoo heel lang, want de regen hield op en we konden een geslaagde poging doen om via het Molengat in het Marsdiep te komen. Toen was het spoedig gebeurd, om 4 uur in den morgen lag de “Utrecht” weer op z’n plaatsje gemeerd…
De bemanning spoedde zich in een harde regenbui en diep teleurgesteld huiswaarts…

Nader bericht.
Het s.s. “Wildenfels”reapporteerde aan het Loodswezen alhier, dat het Belgische s.s “Charles José” gezonken is 4 mijl Westelijk van het lichtschip “De Haaks” om 23 uur Midd. Tijd Greenwich. Door het s.s. “Wildenfels” is op 53 10 N.B en 4 33 O.L. een boot geborgen, waarin zich één man bevond, welke gered is. Een andere boot, waarin zich 9 personen moeten bevinden, wordt nog vermist. Het Duitsche s.s “Rhein”heeft een reddingboot gezien en 9 deelen van een wrak, er wordt getracht verbinding te
krijgen met het s.s.”Rhein”, dat echter taal nog teeken geeft. Het s.s.”Rhein”bevindt zich op weg naar Hamburg.
Het s.s.”Wildenfels”, aan boord waarvan zich de geredde persoon bevindt, is eveneens op weg naar Hamburg.
Toen het roode licht van de flambouw uitdoofde…
De schipper van de reddingboot, Coen Bot, vertelt.
Ik was gisteravond juist thuisgekomen, toen de telefoon overging, en de Loodsen-commissaris mij mededeelde, dat een schip noodseinen gaf in de buurt van “De Haaks”.  Direct holde ik naar buiten, om de bemanning van de “Dorus Rijkers” te waarschuwen.
Op een drafje renden die eveneens naar de haven, waar ondertusschen de “Dorus Rijkers”reeds varensgereed werd gemaakt.
Terwijl de bemanning zich “schoeide” besprak ik eenige bijzonderheden met den loodscommissaris. De seinen waren ook niet al te duidelijk geweest. Er was namelijk bericht gekomen, dat het in noodzijnde schip twee roode lantaarns voerde, wat beteekend: “onbestuurbaar”.
Twee roode lantaarns worden dan ook vaak meer bedoeld om sleepboothulp aan te vragen.
Even later kwam er echter bericht dat het schip ook noodseinen gegeven had, en met roode stakelvuren werkte.
Toen voeren wij direct uit, om half negen. Wij koesten door het Molengat, rechtstreeks op het lichtschip “De Haaks”aan. Hiermede heb ik aldoor door de telefoon kunnen spreken. Het lichtschip gaf ons regelmatig op, waar het schip zich bevond, en dat was in Noordelijke positie. Meer en meer
verwijderde het schip zich van ons. Dit was een groot nadeel. Zeer  zeker heeft het schip zich vier mijl van ons in Noordelijke richting verwijderd, wat funest is gebleken, want daardoor werd het redden bemoeilijkt en vertraagd.
Geregeld zonden wij lichtseinen af, zoodat ze op het schip konden zien, dat wij in aantocht waren.
Te hgalf twaalf werd door ons het laatste sein van het schip ontvangen. Op ongeveer een mijl afstand zagen wij de roode vlambouw. Vol goeden moed koersten wij in de aangegeven richting. De zee was zwaar en het zicht was door het hooge ruwe water ten zeerste belemmerd . Wij hoopten op een nieuw
teeken van leven, en tuurden door den duisteren nacht, maar helaas, het roode licht van de flambouw was het laatste teken van leven geweest, dat de schipbreukelingen gegeven hadden.
Wij hadden al eerder de vuren van een groot schip gezien, een schip naar schatting groot 10.00 ton. Wij voeren daar omheen, en beriepen ze, maar door het vreeselijke geweld van den storm en het gedonder der golven konden wij ons niet verstaanbaar maken.
Wij maakten echter uit de gegevens op, dat het schip gezonken was.
Toen hebben wij met een zoeklicht de zxee afgezocht, twee uur lang koersten wij tusschen de “meneeren  met wit voor”. Het was geweldig weer. De “Dorus Rijkers”had het zwaar te verantwoorden.. na twee uur zoeken koersten we op de “Utrecht”af, maar deze was even wijs als wij. Ook daar had men geen verbinding kunnen krijgen. Tot op het hemd nat, de laarzen vol water, stonden wij op de “Dorus Rijkers”. Van den wal kon men ons geen inlichtingen meer geven. Van armoede zijn wij teruggekeerd…verslagen door de zee….
Ontmoedigd koersten we door het Schulpengat naar Den Helder. Ik ben er beroerd van, maar weet m’n best gedaan te hebben.
Boven alles staat het voor mij vast, dat ze gebrek aan vuurseinen gehad hebben. In het donker van den nacht zijn vuurpijlken van de grootste beteekenis. Die alleen kun je zien. Verder ben je zoo goed als blind op de zee in een stormnacht zooals wij gisteren meegemaakt hebben. Het lichtschip
“De Haaks” waren wij b.v. genaderd op 100 meter. Wij zagen de vuren, maar het schip wass bijna geheel verborgen achter de hooge golven.
Zoo’n ruwe, akelige en ontmoedigende reis heb ik nog nooit gedaan. Coen Bot kijkt ernstig. Een oogenblik zwiijgt hij. Dan zegt hij met vaste stem: “Ik herhaal, de bemanning heeft zich niets te verwijten: Eelman, Oostendorp, Bijl, De Boer en Piet Bot hebben hun plicht gedaan”.

Uit; De Schager Courant, 06-10-1934;P.13/20
Schipbreuk op de Noordzee.
Onbekend stoomschip met man en muis vergaan.
Vergeefsche pogingen om vanuit Den Helder hulp te verleenen.
Op de Noordzee ten Noordwesten van het vuurschip “Haaks”, ongeveer anderhalve zeemijl hiervan verwijderd, heeft Donderdagavond tijdens den hevigen Zuidwester-storm een scheepsramp plaats gehad. Een onbekend stoomschip is hier met man en muis vergaan, nadat vergeefs getracht was van
Den Helder uit hulp te verleenen.
Omstreeks acht uur Donderdagavond werd op het vuurschip “Haaks”waargenomen dat op genoemden afstand een vuurpijl door een in nood verkeerend schip werd afgegeven. Onmiddellijk werd het bericht van dit noodsein doorgegeven naar de kustwacht te Den Helder, waar onmiddellijk hulp werd gezonden. De motorreddingboot “Dorus Rijkers” van de Noord- en Zuid-Hollandsche Redding Maatschappij en de sleepboot “Utrecht”van het Bureau Wijsmuller, vertrokken onmiddellijk ter assistentie.
Het werd een zeer zware tocht, die helaas geen resultaat heeft opgeleverd.
Toen de reddingboot door het Molengat naar buiten voer, en tegen de zeer hooge zeeën worstelde om de plaats des onheils te bereiken, werden op het vuurschip “Haaks” van het in nood verkeerende schip twee roode lichten
boven elkaar waargenomen, hetgeen beteekent, dat het schip stuurloos was.
Voortdurend werden nog vuurpijlen afgeschoten. Dank zij het feit, dat de “Dorus Rijkers”een installatie voor draadlooze telefonie aan boord heeft kan schipper C.Bot voortdurend van Den Helder uit op de hoogte worden gehouden van de berichten, die via het vuurschip “Haaks”werden ontvangen.
Gemeld werd dat zich in de buurt van het in nood verkeerende schip een groote stoomboot bevond, die echter tengevolge van de hooge zeeën niet bij het schip kon komen, noch sloepen kon uitzetten.
Ongeveer een half uur voordat de “Dorus Rijkers”bijna tegelijk met de sleepboot “Utrecht”op de plaats van de ramp aankwamen, zag men een laatste vuurpijl afschieten, en daarna verdwenen de roode lichten de zee.
Toen men na een half uur ter plaatse kwam, was niets meer ven het in nood verkeerd hebbende schip te zien. Aangenomen moet worden dat het onbekende vaartuig, vermoedelijk een klein zeeschip, met man en muis is vergaan.
Eenigen tijd werd nog op de plaats des onheils rondgevaren, doch toen men niets vond werd in overleg met de plaatselijke commissie van de Noord- en Zuid-Hollandsche Redding Maatschappij te Den Helder besloten naar Den Helder terug te keeren.
Om kwart over twee vannacht werd de terugtocht aanvaard en om half vijf hedenochtend liepen de “Dorus Rijkers” en de “Utrecht”de haven van Nieuwediep weer binnen.
Schipper Bot van de “Dorus Rijkers”, die voor geen kleintje vervaard is, en die niet gauw spreekt van moeilijke tochten, verklaarde na terugkeer, dat hij en de vijf andere leden van de bemanning der reddingboot een zeer zware tocht hadden gehad en tegen ongekend hooge zeeën hebben moeten strijden.
Ondanks dit, hadden zij echter doorgezet om te trachten de in nood verkeerenden te redden. De bemanning der reddingboot betreurde dat haar tocht vergeefs was geweest.
Volgens rapport ven een later gepasseerd Duitsch stoomschip heeft dit in de omgeving van de plaats van de ramp veel wrakhout aangetroffen.
Omtrent de nationaliteit van het gezonken schip is niets bekend.

Bij het aanbreken van de dag.
Het Duitsche stoomschip “Rhein”, rapporteerde bij het aanbreken van den dag op de plaats des onheils veel wrakhout te hebben waargenomen. Dit wrakhout droeg echter geen enkel kenmerk van nationaliteit of naam.
De laatste uren aan boord van het onbekende vaartuig, dat in den donkeren nacht, met hulp op korten afstand, moeten verschrikkelijk geweest zijn.
Van 8.05 uur Donderdagavond af tot na middernacht werden voortdurend vuurpijlen en flambouwen aangestoken. Het in nood verkeerende schip was op niet meer dan 1 of 1 ½ mijl afstand van het vuurschip “Haaks”. Voor zoover men aan boord van dit vuurschip heeft kunnen waarnemen, schijnt het gezoken schip gedurende eenigen tijd op zijn zij te hebben rondgedreven. De reddingboot “Dorus Rijkers” heeft den afstand van Den Helder naar de plaats des onheils, ongeveer 15 mijl, gezien de omstandigheden zeer vlug afgelegd. De omstandigheden waren buitengewoon moeilijk. In den
Zuidwesterstorm kwamen zware buien voor met windkracht 9. De “Dorus Rijkers”moest bijna recht tegen denstorm in daar wind en tij tegen elkaar waaren, was hetwater, zooals de zeeman zegt, zeer moeilijk. Het zicht was zeer slecht. Toen de “Dorus Rikers”vlak bij het vuurschip “HGaaks”was, kon de wakkere bemanning van de reddingboot bijna voortdurend niets zien.
Gevaren werd op kompas en op de rdaadlooze aanwijzingen van het vuurschip “Haaks”, de kustwacht te Kijkduin en den loodscommissaris, te Den Helder.
Voortdurend stonden deze drie posten draadloos met elkaar in verbinding en hieraan is het te danken, dat de “Dorus Rijkers”zoo vlug ter plaatse kon komen.
Eenigen tijd nadat de eerste noodseinen waren gegeven, is het Duitsche stoomschip “Bachara”van Hamburg op ongeveer een mijl afstand van het in nood verkeerende schip bijgedraaid. Groote lichten werden buitenboord gehangen en men schijnt pogingen te hebben willen doen om hulp te verleenen,
pogingen, welke ook aan boord van het gezonken vaartuig moeten zijn opgemerkt. De zee was echter te hoog.
De “Bachara” durfde niet dichter bij het in nood verkeerende schip te komen en reddingssloepen konden niet worden uitgezet. Toen het schip was ondergegaan, heeft de “Bachara”zij reis voortgezet.
De bemanning van de “Dorus Rijkers”, bestaande uit schipper, machinist, stuurman en drie “opstappers”, was na den zwaren tocht zeer vermoeid.
In den loop van den ochtend zal schipper Bot rappoort van zijn tocht aan den loodscommissaris uitbrengen.

Een Belgisch stoomschip.
Later is gebleken, dat het vergane schip de Belgische vrachtboot “Charles Jose” uit Antwerpen was. De bemanning bestond uit tien koppen.
Van de tien leden der bemanning is er één gered, die door een Duitschen boot, de “Wildenfels”in een sloep drijvende werd gevonden, op twaalf mijl afstand van de plek waar de ramp plaats had.
In een onderhoud vertelde Coen Bot, de schipper van de reddingboot “Dorus Rijkers”nog het volgende; Te ongeveer half twaalf ontvingen wij het laatste sein van het schip.
Op ongeveer een mijl afstand zagen wij de roode flambouw. Vol goeden moed koersten wij in de aangegeven richting. De zee was zwaar en het zicht werd door het hooge water ten zeerste belemmerd. Wij hoopten op een ieuw teeken van leven en tuurden door den duisteren nacht, maar helaas, het roode licht van de flambouw was het laatste teeken van leven geweest, dat de
schipbreukelingen gegeven hadden.
Wij hadden al eerder de vuren van een groot schip gezien, een schip van naar schatting groot 10.000 ton.
Wij voeren daar omheen en riepen, maar door het vreeselijke geweld van den storm en het gedonder der golven konden wij ons niet verstaanbaar maken.
Wij maakten echter uit de gegevens op, dat het schip gezonken was.
Toen hebben wij met een zoeklicht de zee afgezocht. Twee uur lang koersten wij. Het was noodweer. De “Dorus Rijkers”had het zwaar te verantwoorden.
Na twee uur zoeken koersten wij op de “Utrecht”af, maar daar wist men even weinig als wij, want ook daar had men geen verbinding kunnen krijgen.
Tot op het hemd nat, de laarzen vol water, stonden wij op de “Dorus Rijkers”. van den wal kon men ons geen inlichtingen geven. Van armoede zijn wij toen maar teruggekeerd.
Boven alles staat het voor mij vast, aldus eindigde schipper Bot, dat ze gebrek aan vuurseinen gehad hebben. In ’t donker van den nacht zijn vuurpijlen van de grootste beteekenis. Die alleen kun je zien. Verder ben je zoo goed als blind op zee. Zeker in een stormnacht zooals wij gisteren meegemaakt hebben.

Uit; Alkmaarsche Courant,06-10-1934, P.5/12

ms Bertha III

Eigenaar ; Firma Koningsbruggen

Datum: 26.09.1936

Station: Den Helder/Zuidwal

Aantal geredden: 2

Redding nr: 308

Uit: De Reddingboot nr. 43, Mei 1937 :blz. 1316

De “Dorus Rijkers” assisteert de Bertha III.

Toen de mrb. “Dorus Rijkers” op 26 September 1936, na een afwezigheid van enkele dagen voor het nazien van den motor, terugkeerde naar Den Helder trof zij ter hoogte van den Zuidwal het motorvaartuig “Bertha III” aan, dat aan den grond was geloopen.

Aan boord bevonden zich 2 man.

De “Dorus Rijkers” kon de “Bertha III” tot op 100 m naderen; met de Shermuly pistool werd daarop een lijn overgeschoten en verbinding gemaakt.

De “Bertha III” werd vervolgens vlot- gesleept.
De fa. C. N. van Koningsbruggen, eigenares van de “Bertha III” betuigde on  haar erkentelijkheid voor dezen dienst.

Bemanning; C.Bot/schipper, J.A.Oostendorp/stuurman, R.Eelman/motordrijver.

Het gebeurde op 5 januari 1939

Nederlandse Botter HD 228

Datum: 05.01.1939

Station: Den Helder/Molengat

Aantal geredden: 2

Redding nr: 415

Uit: De Reddingboot nr. 49, mei 1940; blz.1572

De mrb. “Dorus Rijkers” brengt de HD 228 binnen.

5 januari 1939 werden ten ± l u. stakellichten gezien in de richting van spitse ton No. l van het Molengat. Onmiddellijk voer de mrb. “Dorus Rijkers” van station Den Helder uit. De wind was West tot Zuid West, kracht 5; buiig weer. Ter hoogte van spitse ton No. l werd een botter aangetroffen, welke zwaar slingerend ten anker lag. Getracht werd dit vaartuig, hetwelk de “H.D. 228” bleek te zijn, en dat schroef en roer verloren had, zoo dicht mogelijk te naderen, teneinde een der matrozen van de “Dorus Rijkers” over te zetten, zoodat deze kon helpen met het binnenhalen van het anker. a/b van de “H.D. 228” bevonden zich immers slechts de schipper en een jongen. Aan P. de Wit gelukte het over te springen; het anker werd ingehaald en de “Dorus Rijkers” bracht de botter behouden teDen Helder binnen, alwaar ten 4 uur gemeerd werd. De “H.D. 228” bleek lek te zijn. Vermoedelijk is de botter tijdens zware sneeuwbuien over de Noorder Haaks gekomen, alwaar schroef en roer werden verspeeld.   De opvarenden, die familieleden van P. de Wit bleken te zijn, toonden zich zeer dankbaar voor de verleende assistentie. Van de eigenares van de “H.D. 228”, de Wed. C. Dito te Den Helder, ontvingen wij navolgende schriftelijke dankbetuiging: “Met dezen kom ik U mijn hartelijken dank brengen voor de hulp aan de botter “H.D. 228” door het spoedig zenden van de “Dorus Rijkers”: anders hadden menschen en botter wellicht verloren geweest.

 

Ook het personeel der“Dorus Rijkers” mijn hartelijke dank.”

Bemanning;C. Bot/schipper,J.A. Oostendorp/stuurman,P.W. Bot/stuurman,R. Eelman/motorist, J.J. Runnenburg,P.deWit. 

 

Uit: De Heldersche Courant, 05/01/1039; p.5/8

De “Dorus Rijkers”brengt Heldersche botter behouden binnen

Door regen en sneeuw waarschijnlijk koers kwijt geraakt – Roer en schroef verspeeld.

Hedennacht ontwaarde de uitkijkpost te Huisduinen, dat zich op de gronden voorbij het Molengat een schip bevond, dat met zijn lichten beduidde, dat het hulp noodig had. Onmiddellijk werd alarm gemaakt en om even over 1 uur reeds voer de reddingboot „Dorus Rijkers” ,met schipper Coen Bot uit, om assistentie te brengen.

Ook de sleepboot “Amsterdam” van bureau Wijsmuller werd klaargemaakt, en ook deze vertrok al spoedig uit de haven.

Bij de gronden voorbij het Molengat gekomen bemerkte Schipper Bot al spoedig wat er aan de hand was. Een botter, de “HD 228”, eigendom van den heer Dito en bevaren door schipper Tjol de Wit en een maat,  lag voor anker.  De „Dorus” ging langszij van het voor anker liggende vaartuig en het was toen dat  men vernam, dat men waarschijnlijk  tengevolge van de sneeuwbuien en het slechte zicht uit  den koers  geraakt  was en op de gronden gekomen. Men bleek zoowel het roer als de schroef verspeeld te hebben het roer was uitgepikt uit de vingerlingen en hing nog los achter de   “HD 228” aan.

Zonder hulp was er uiteraard geen sprake van dat de botter zou kunnen binnenkomen,  zoodat schipper Bot verbinding maakte en met de “HD 228” opsleep terug ging naar Nieuwediep.  De kapitein van de “Amsterdam” had inmiddels inhet Molengat reeds gezien, dat zijn hulp hier niet meer noodig was en liet zijn schip eveneens naar de haven terug gaan.  Om vier uur vanmorgen lag de “Dorus” weer aan den steiger, met de gehavende” HD 228” aan haar zijde.

 

Redding van de Nederlandse Botter “UK 44”

Schipper; Alb. Post

Datum: 08/09.03.1939

Station: Den Helder/Kaap Hoofd

Aantal geredden: 3

Redding nr: 418

Uit: De „Reddingboot nr. 49, mei 1940; blz. 1573 en 1574
Een mooie redding van de “Dorus Rijkers”.

8 maart 1939 kreeg de secretaris der Commissie van Plaatselijk bestuur van Den Helder ten 22 uur 15 telefonisch bericht van J. Blokker, die nabij het huisje van het Meteorologisch Observatorium op den dijk stond, dat er in de richting van het Molengat stakellichten werden gegeven door een binnenkomend vaartuig.De Kustwachtpost Kijkduin had echter geen noodseinen waargenomen en verkeerde in de meening, dat het binnenkomende vaartuig, dat een paar werklichten voerde, niet in moeilijkheden verkeerde. Ten 22 uur 30 werd de secretaris echter wederom opgebeld door J. Blokker, dat het vaartuig wel degelijk in nood verkeerde en dat er geregeld groote vlammen boven het dek werden waargenomen. De wind was N.W., kracht 9; er stond hooge zee en het vaartuig dreigde op den dijk geworpen te worden.
Onmiddellijk werd nu de mrb. “Dorus Rijkers” uitgestuurd. Kort daarop deelde de Kustwacht mede, dat er toch blijkbaar iets niet in orde was met het vaartuig. Buiten de haven gekomen zag men a/b van de “Dorus Rijkers” stakelvuren ter hoogte van Kaaphoofd. Naderbij gekomen bleek het de

UK 44” te zijn, welke met krabbend anker ongeveer 100 M. uit den dijk lag. De zee was zeer wild en liep tot boven aan den dijk. Het gelukte den schipper van de reddingboot om tusschen den dijk en de “UK 44” te komen en verbinding te maken door een 2 duims stalen tros van de “UK 44” over te nemen. Deze liet vervolgens het anker slippen.  Met den motor op halve kracht werd getracht het vaartuig, dat zich reeds vlak bij den dijk bevond, uit den wal te sleepen. Door het zware rukken brak helaas de tros, zoodat opnieuw verbinding moest worden gemaakt. Gelukkig slaagde men hier direct in. Op een langen sleeper van de “Dorus Rijkers” werd de geheel onbestuurbare botter tot vlak voor de haven gebracht. Hier stond zware zee door het felle uittrekkende tij en den Noordelijken wind. Om de haven binnen te kunnen komen moest de sleeper worden opgekort. Hevig gierend gelukte het de “UK 44” tot voorin de haven te krijgen, doch hier brak de sleeptros. Wederom gelukte het de botter, die op het fort Harssens dreigde te verzeilen, langszij te nemen en slaags te brengen. Den 9en maart ten l uur 45 waren reddingboot en “UK 44” behouden binnen.
De “Dorus Rijkers” liep op deze tocht schade op aan het achterhekwerk.De schipper van de “UK 44” was zeer dankbaar voor de hem verleende hulp, waardoor schip en opvarenden voor een wissen ondergang zijn gespaard gebleven. Hij deelde mede, dat bij het binnenloopen van het Molengat door een overkomende grondzee de motor onklaar en het vaartuig stuurloos was geworden.

Van 21 uur 50 af had hij toen geregeld stakellichten en vlammen getoond.Hij had voorts getracht ten anker te komen, doch nadat het eerste anker verloren was gegaan, had hij het tweede anker uitgeworpen en met krabbend anker getracht een stranding te voorkomen. De “Dorus Rijkers” kwam nèt op tijd. Het was een mooie redding onder zeer moeilijke omstandigheden verricht, waarvoor schipper C. Bot en zijn bemanning alle hulde verdienen.                                                                                                             

Bemanning;C.Bot/schipper,J.A.Oostendorp/sturman,P.W.Bot/stuurman,R.Eelman/motorist, J.J.Runnenburg,P.deWit.

 

Van Alb. Post, schipper van de “U.K.44”, kregen wij onderstaanden brief, welken wij bijzonder op prijs stellen:

 

“Urk, 11 maart. 1939.
Hooggeachte Heeren Bestuur van de Noord- en Zuid-Hollandsche Redding-Mij,
Ik neem de pen op om U naast God de eer toe te brengen, die wij met onze gezinnen aan U verplicht zijn te doen. Wij waren in groote nood, wij hebben geworsteld met den dood, dien wij voor oogen hadden. U weet zelf, mijne Heeren, wat het is een schip zonder roer en in de branding. Wij met onze vrouwen en onze kinderen betuigen onzen hartelijken dank aan de bemanning van Uwe motorreddingboot “Dorus Rijkers”. Het was nèt op tijd, het moest niet langer geduurd hebben. Wij kunnen alweer zien, dat het Reddingwezen onmisbaar is.
Tevens verplicht ik mij om contribuant te worden van het reddingwezen voor een jaarlijksche bijdrage van “ F 5.–”. Ingesloten zijnde “ F 10.”
Alb. Post, “UK 44” Urk.”

 

Uit: De Reddingboot nr. 67 november 1949 blz. 2563

……Ons archief bevat hartelijke brieven, waarin de erkentelijkheid voor een redding tot uiting werd gebracht. De brief, die de schipper van de botter “UK44”ons schreef nadat hij op 8 maart 1939, dank zij het onversaagd optreden van de “Dorus Rijkers”, van een wisse ondergang was gered, ( het stormde hard en de botter dreef hulpeloos op korte afstand van de Heldersche zeedijk) zullen wij hier laten volgen;

 

“Hooggeachte heeren bestuur van de N.- en Z.-Hollandsche Reddingmaatschappij,

“Ik neem de pen op om U naast God de eer toe te brengen, die wij met onze gezinnen verplicht zijn te doen. Wij waren in grote nood, wij hebben geworsteld met de dood, die wij voor ogen hadden. U weet zelf, mijne Heren, wat het is, een schip zonder roer en in de branding. Wij met onze vrouwen en onze kinderen betuigen onze hartelijke dank aan de bemanning van de motorreddingboot “Dorus Rijkers”. Het was net op tijd, het moest niet langer geduurd hebben.   Wij kunnen alweer zien, dat het Reddingwezen onmisbaar is…Tevens verplicht ik mij om contribuant te worden van Uwe maatschappij voor een jaarlijksche bijdrage van f 5.”.

Alb. Post

UK 44”, Urk

 

Uit; De Alkmaarsche Courant,09/03/1939;p.8/10

Urker botter door den storm in gevaar, juist op tijd door de “Dorus Rijkers” gered.

Tijdens den hevigen storm van gisteravond, die te Den Helder een windkracht had van 8 tot 9 en die golven tot over de boulevard opjoeg, geraakte de Urker botter UK 44, schipper A.Post, die zich op weg naar de Noordzee bevond, doch door het stormweer genoodzaakt was de haven van Nieuwediep weer op te zoeken, in groot gevaar. Het schip kreeg door de stormzeeën water binnen, waardoor de motor defect geraakte. Ook werd het roer onklaar. Door den vloed werd de botter steeds meer naar de kust gedreven, hetgeen bemerkt werd door op den dijk staande visschers, die den heer Van Dok van het kantoor van het K.N.M.I. waarschuwden. Men verzocht den commissaris van het loodswezen te Den Helder om assistentie.

Deze laatste informeerde bij de kustwacht te Kijkduin, bij Huisduinen, waar hij vernam, dat de Urker botter op gewone kracht binnen kwam. Toen echter de op den dijk staande visschers vuursignalen op de Urker botter bemerkten( de schipper had namelijk het brandbare materiaal op zijn schip in brand gestoken) werd nogmaals op assistentie aangedrongen. Hierop voer de “Dorus Rijkers” met schipper Coen Bot uit. Tengevolge van den storm was de Urker botter op vijftig meter afstand van de steenen dijkglooïng gedreven. Het was op dat oogenblik, dat de “Dorus Rijkers” ter plaatse kwam. Was de boot later aangekomen, de botter zou zeker tegen den dijk te pletter zijn geslagen.

Na anderhalf uur vergeefsche pogingen slaagde men er in vast temaken, waarna de “UK 44”, waarop zich behalve schipper Post nog twee menschen bevonden, de haven van Nieuwediep werd binnengesleept, waar men om half twee aankwam.

 

Uit; De Heldersche Courant, 09/03/1939;p.5/8

Angstige uren aan boord van de  “Urk 44”, viermaal van de reddingboot “Dorus Rijkers”losgeslagen.

Het roer defect, een schroef verspeeld, van hemd tot bombazijn verstakeld.

Heel oud Den Helder heeft gisterenavond in spanning op den zeedijk gestaan, waar een Urker botter in nood verkeerde. Het was de “Urk 44”, die door het noodweer over de gronden heengeslagen was en nu langzaam maar zeker zijn ondergang scheen tegemoet te gaan. Het scheepje had in het Molengat waarschijnlijk zijn schroef verspeeld, terwijl daar bovendien zijn roer defect geraakt was. Het schip was dus aan wind en golven overgeleverd en dreef vrij snel in de richting van den Helderschen Zeedijk, waarop de groote brekers te pletter sloegen.

 

De vuurtoren ziet niets.

De schipper van de “Urk 44”, Alb. Post, had een anker uitgegooid, maar de vliegende storm, het was windkracht 9, joeg den botter voort en het duurde niet lang of de ankerketting brak en het schip werd een speelbal van de golven. Met flambouwen werd gezwaaid, stakellichten werden ontstoken, doch van den vuurtoren scheen men niets te zien en dat was de oorzaak, dat de reddingboot “Dorus Rijkers” niet werd uitgezonden. Een aanvankelijk gegeven opdracht werd later weer ingetrokken, omdat van den toren geseind werd, dat het scheepje op eigen kracht naar binnen liep.

Op den Helderschen Zeedijk stond men echter in angstiche spanning. Men zag het scheepje langzaam naderen, want intusschen had men op den botter het tweede anker uitgeworpen, doch ook dit sleepte over den grond en hield het schip niet.

Het waren benauwde oogenblikken voor de drie menschen aan boord van de “Urk 44”, Albert Post, Cor Kaptein en Louw de Boer.

Men zag in den letterlijken zin van het woord den dood voor oogen. Nog slechts eenige honderden meters was het schip van de kust verwijderd en nog steeds daagde geen hulp op, hoewel men reeds een klein uur aan het stakelen was. Zijn heele garderobe had men ongeveer verbrand, van het hemd tot de roode bombazijn was in de vlammen opgegaan, doch de noodkreten bleven onbeantwoord.

 

Verontwaardiging op den dijk.

Langs den dijk loopt de jonge garde van de zeeridders danig te “kankeren”. Ze zien het gevaar, dat het scheepje bedreigt en zijn zelf tot werkloosheid gedoemd. De man van den toren moet het ontgelden, dat hij niets ziet. Het is ook onbegrijpelijk. Fel laait het vuur telkens op het voorschip van den botter op. Men verbrandt bepaald alles wat men maar eenigszins kan missen. De olielucht drijft door den fellen wind tot op den dijk en de blauwe zeeridders loopen te stampvoeten.

Waarom vaart de “Dorus”niet uit?. Het is een vraag, die onbeantwoord blijft, maar de spanning daar bij den windwijzer neemt toe, naarmate het scheepje hoe langer hoe dichter zijn ondergang nadert. De afstand bedraagt tegen elf uur nog slechts een tweehonderd meter en ieder voelt, als het schip  op de steenen komt, is het reddeloos verloren.

Het is een ouderwetsche stormnacht. De Noordwester raast tegen den dijk. Enorme golven donderen telkens tegen de glooiing en rennen naar boven om grommend terug te loopen voor een nieuwe aanval.

 

De “Dorus Rijkers” vaart uit.

Eerst om half elf werd aan de bemanning van de “Dorus Rijkers”opdracht gegeven om uit te varen, nadat nogmaals van den wal om hulp gebeld was naar het loodskantoor. Met grooten spoed begaf de reddingboot zich naar het in nood verkeerende schip en het had waarlijk gèèn tien  minuten moeten duren, dan had ook het tweede anker zich zeker begeven en was het scheepje in den kortst mogelijk tijd op de steenen geslagen.

Schipper Bot voer met de “Dorus Rijkers”voor het scheepje langs, dat als een bezetene lag te rijden op de golven. De “Urk 44”kapte zijn anker en gooide een tros over, die direct het doel bereikte. Toen begon een zware thuisreis. Geen tweehonderd meter verder brak de tros en opnieuw dreigde het gevaar voor het onbestuurbare scheepje om op den vlakbij zijnden wal te worden geworpen.

De reddingboot bleef echter in de onmiddellijke nabijheid en gooide nu zelf een tros over, die men langer liet vieren. Voor de haven stond echter een vliegende storm, en om den havenmond binnen te komen, moest de tros worden ingekort, de botter gierde echter zoo, dat vlak voor de haven opnieuw de tros brak en het gevaar groot was, dat het scheepje boven op het fort Harssens zou loopen.

Schipper Bot schoot met zijn “Dorus”opnieuw toe en nam de Urker opzij en zoo kon hij met veel moeite en groote handigheid het scheepje binnen den havenmond krijgen, maar nog was het leed niet geleden, want tegenover het Wachtschip brak het onhandelbare vaartuig voor de laatste maal van zijn tros en het kostte weer veel moeite verbinding te krijgen.

 

Behouden binnen.

Eerst om ongeveer 1 uur meerde de “Dorus Rijkers” aan den steiger. Door de zware rukken van den tros was het achterhek van de reddingboot afgebroken. Erger zag echter de botter eruit. Aan boord was het een chaos. De drie leden van de bemanning waren tot op hun hemd drijfnat en het eerste wat hun kameraden deden, die in grooten getale in spanning aan het havenhoofd hadden gewacht, was het fornuis in het roefje tot gloeiend heet opstoken, om de menschen even door te warmen en van droge kleeren te voorzien.

Men was aan boord heel dankbaar, dat men er het leven afgebracht had, maar de materieele schade is vrij groot en de schipper was niet verzekerd.

 

Uit; De Schager Courant, 09/03/1939;p.6/8.

Angstige uren voor de Urk 44.

Hulpeloos rondgedreven voor de Heldersche kust.

Gisteravond is de botter “Urk 44”voor de Heldersche zeekust in groote moeilijkheden geraakt. Terugkeerende van de visscherij geraakte het scheepje ter hoogte van het Molengat door het onklaar raken van den motor en een defect aan de schroef tengevolge van de zware zee onbestuurbaar.

Snel dreef het in de richting van de Heldersche kust. Zou het op de steenen glooiing van den dijk zijn terechtgekomen, was het zeker verloren geweest. Het personeel van de vuurtoren heeft niet gezien dat het schip in nood verkeerde, hoewel het om 9.45 reeds door het ontsteken van fakkels het S.O.S, sein gaf. Om half elf voer de reddingsboot “Dorus Rijkers” uit. Na een zware reis, waarbij de tros vier keer brak, wist men de Urker op te sleepen naar de haven van Nieuwediep, waar men te een uur ’s nachts arriveerde.

 

 

Uit; De Heldersche Courant, 11/03/1939;p.7/16.

Ingezonden.

(Buiten verantwoordelijkheid van de Redactie.

            Niet geplaatste stukken worden

                        Niet teruggezonden.)

De zwakke schakel in het reddingswerk.

                        Is de kustwacht schuldig?

 

Vergun ons eenige ruimte in uw blad voor het volgende: Bij voorbaat onzen dank.

Zoolas u weet, is op 8 dezer de Urker botter “UK 44” door de “Dorus Rijkers”van een bijna wissen ondergang gered. Aangaande het verloop van dit ongeval en de rol, die de kustwacht in dezen gespeeld heeft rijzen bij ons enkele vragen. Vergun ons die even te bespreken. Zooals u weet is de organisatie van reddingsmateriaal en personeel der reddingbooten bij de “Noord- en Zuid-Hollandsche Reddingsmaatschappij”prima in orde. Kosten noch moeite worden gespaard om goed “BIJ”  te blijven.

In dezen dan ook alle hulde aan Coen Bot en zijn dappere bemanning, die met Gods hulp de race met den dood van het stuurloos naar lager wal drijvende scheepje hebben gewonnen. ’t Was nog net op het nippertje. Alleen maar, dit was niet noodig geweest, indien de kustwacht haar plicht gedaan had en tijdig de noodseinen had gemeld.

Dan kon reeds ongeveer een half uur eerder door de reddingboot zijn vastgemaakt.

We kunnen het nog sterker zeggen: de reddingboot is opgehouden door de kustwacht, die maar bleef beweren, dat het felle stakelen, gewone werklichten waren.

Hoe zulks mogelijk is voor een kustwacht is ons een raadsel. De in nood verkeerende bemanning heeft veel ondergoed in olie gedrenkt verbrand en vlammen boven een vaartuig zijn toch het noodsein.

Er stond een windkracht negen. De Bilt meldde zelfs als sterkste windstoot 33 m.p.sec. Reeds te 4 en 5 uur waren er twee botters binnengekomen. Later, te negen en 10 u. ongeveer, kwam nog een paar. ’t Was toen helder zicht. De kustwacht kan dus weten, dat bij dergelijk weer, in zulk een gevaarlijk gat, altijd iets kan gebeuren. Blijkbaar echter is dit alles niet tot haar doorgedrongen en heeft zij alles heel gewoon gevonden. Met dat al, een ketting is maar net zoo sterk als de zwakste schakel.

De zwakste schakel was in dit geval de kustwacht. Daar hing het geheele schitterende apparaat van de Noord- en Zuid-Holl. Redding Mij. aan. Want als b.v. in een groote stad een kwajongen een brandmelder stuk slaat, rukt de brandweer uit. Dat ruitje behoeft juist geen politie-agent stuk te slaan.

Maar bij de reddingmaatschappij moet juist een politie-agent d.w.z. de kustwacht, het geheele apparaat in werking stellen. Dit is een zeer zwakke schakel in de overigens zeer solide ketting.

Reeds meerdere feiten van geringe activiteit der kustwacht (om maar geen scherpe woorden te gebruiken) zijn bekend.

Wij vragen: hoe komt dat?. Hier hapert iets!. De menschen van den Helderschen zeedijk stonden zich te verbijten, dat de reddingboot zoo lang uitbleef. Wij weten al waarom. Coen Bot werd opgehouden buiten zijn wil en schuld. ’t Is nu nog goed afgeloopen, maar nog even en de kustwacht had zich kunnen afvragen of niet een ramp haar geweten had bezwaard.

Wij hopen, dat in dezen een onderzoek door een onpartijdige instantie wordt ingesteld, opdat de zwakke schakel verdwijne.

 

Met dank voor de plaatsing.

                                   Namens het bestuur der V.V. Visscherijbelangen.

                                                           J. Mein, Voorzitter

                                                           L. Kramer, Secr.

Urk, 9 Maart 1939.

 

Inderdaad heeft de Kustwacht gemeend, dat de noodseinen op de “Urk 44”werklichten waren. Het is ook ons, die het angstig seinen van nabij hebben gadegeslagen, hoe dit mogelijk is, doch wel is een fout van de opvarenden van de “Urk 44”, dat zij geen vuurpijlen afgeschoten hebben, die zij aan boord hadden.  Dan was geen twijfel meer mogelijk geweest.

                                                                                              Red. Held.Crt.

 

Uit; De Heldersche Courant, 14/03/1939;p.3/8

Een schipper dankt zijn redders, zonder roer in de branding… Happy end van het avontuur met de UK 44.

Bij de Noord- en Zuidhollandsche Redding Maatschappij is de navolgende dankbetuiging ontvangen van schipper A. Post van de UK 44, die 8 Maart j.l. door de motorreddingboot “Dorus Rijkers”van Den Helder is gered;

“Hooggeachte heeren bestuur van de N.- en Z.-Hollandsche Reddingmaatschappij,

“Ik neem de pen op om u, naast God, de eer toe te brengen, die wij met onze gezinnen aan u verplicht zijn te doen.

Wij waren in grooten nood, wij hebben geworsteld met den dood, die wij voor oogen hadden U weet zelf, mijne heeren, wat het is, een schip zonder roer en in de branding.

Wij met onze vrouwen en onze kinderen betuigen onzen hartelijken dank aan de bemanning van uw motorreddingboot “Dorus Rijkers”. Het was net op tijd, het moest niet langer geduurd hebben.

Wij kunnen al weer zien, dat het reddingwezen onmisbaar is.

Tevens verplicht ik mij om contribuant te worden van uwe maatschappij voor een jaarlijksche bijdrage van f 5._.

Alb. Post, UK 44, Urk

Red. dit zelfde artikel is ook gemeld in de Schager Courant,14/03/1939;p.6/8 en in de Alkmaarsche Courant, 14-03-1939; p.7/10

 

Uit; De Heldersche Courant, 03/01/1940;p.6/8

… de moeilijkste reddingen waren die van de m.r.b.”Dorus Rijkers”(station Den Helder) op 8 Maart 1939, toen de “UK 44”van een wisse ondergang werd gered en van de….

 

Uit; De Heldersche Courant, 10-03-1939; p. 3/8.

Advertentie.

 

Dankbetuiging.

Het zij ons vergund om langs

dezen weg de Noord- en Zuid-

Holl. Redding Maatschappij, in

het bijzonder de bemanning van

de “Dorus Rijkers”, schipper C.

Bot, hartelijk dank te zeggen

voor de redding in de angstige

uren a/b van de “U.K. 44”, in

den nacht van 8 Maart 1939.

A.     POST.

B.     KAPITEIN.

L.    DE BOER.

Urk.

 

 

Uit; De Wieringer Courant, 11-03-1939; p. 3/8

Moeilijke redding van een botter bij Den Helder.

De Urk 44 tijdens den storm over de gronden geslagen, stuurloos op de kokende zee, noodseinen bleven een uurlang onopgemerkt. Tenslotte bracht de “Dorus Rijkers” redding.

Driemaal brak de sleeptros.

Met ontzettende kracht heeft Woensdag de storm over ons land gewoed en op verschillende plaatsen, zoowel te land als op zee, de bevolking in angstige spanning gebracht.

Heel oud Den Helder heeft Woensdagavond in spanning op den zeedijk gestaan, waar een Urker botter in nood verkeerde. Het was de Urk 44, welke door het noodweer over de gronden heengeslagen was en langzaam maar zeker zijn ondergang scheen tegemoet te gaan. Het scheepje had in het Molengat zijn schroef verspeeld, terwijl bovendien het roer defect was geraakt. Aan wind en weer overgeleverd dreef de botter toen vrij snel in de richting van den Heldersche Zeedijk, waarop de groote brekers te pletter sloegen.

De schipper van de Urk 44, Albert Post, had een anker uitgegooid, maar de vliegende storm – het was windkracht 9- joeg de botter voort en het duurde niet lang of de ankerketting brak en het schip werd een speelbal van de golven. Met flambouwen werd gezwaaid, stakellichten werden ontstoken, doch op den vuurtoren merkte men dit niet op, zoodat de reddingboot “Dorus Rijkers” niet werd uitgezonden. Een aanvankelijk hiertoe gegeven opdracht werd later weer ingetrokken, omdat van den toren geseind werd, dat het scheepje op eigen kracht binnen liep.

Op den Helderschen Zeedijk stonden de menschen echter in angstige spanning te wachten. Men zag het scheepje langzaam naderen. Het waren benauwde oogenblikken aan boord van de Urk 44 want intusschen had men op  den botter het tweede anker uitgeworpen, doch ook dit slingerde over den grond en hield het schip niet. Slechts eenige honderden meters was ’t schip van de kust verwijderd en nog steeds daagde geen hulp op, hoewel men reeds ’n klein uur aan ’t stakelen was.

Eerst om half elf kreeg de bemanning van de “Dorus Rijkers” opdracht om uit te varen, nadat nogmaals van den wal om hulp was gevraagd. Met grooten spoed begaf de reddingboot zich nu naar het in nood verkeerend schip.

Schipper Bot voer met de “Dorus Rijkers” voor het scheepje langs, waarop dit het anker kapte en een tros overgooide, welke direct het doel bereikte.

 

Drie maal losgeslagen.

Maar nog geen 200M. verder brak de tros en opnieuw dreigde het gevaar, dat het onbestuurbare scheepje op den vlakbij zijnde wal zou worden geworpen. De reddingboot bleef in de onmiddellijke nabijheid en gooide nu zelf een tros over, welke men langer liet vieren.

Voor de haven stond een zware strooming en om den havenmond binnen te komen, moest de tros worden ingekort. Daarbij gierde de botter zoo, dat vlak voor de haven opnieuw de tros brak en het gevaar groot was, dat het scheepje nog zou stranden op het fort Harssens.

Schipper Bot nam de Urker toen opzij en zoo kon hij, met veel moeite en groote behendigheid het scheepje binnen den havenmond krijgen. Tegenover het wachtschip brak het onhandelbare vaartuig voor de laatste maal van zijn tros en het kostte opnieuw veel moeite verbinding te krijgen.

Eerst om ongeveer 1 uur meerde de “Dorus Rijkers” aan den steiger. Ten gevolge van het zware rukken van den tros was het achterhek van de reddingboot afgebroken.

 

Uit de Heldersche Courant, 14-08-1939; p. 5/8

Dorus Rijkers en de Zingende Jantjes.

Goed idee van K.L.M.-buurtcommité.

Er komt ons een aardig idee ter oore. Het plan zou namelijk bestaan bij het K.L.M.-comité

( Kanaalweg-Loodsgrach-Molengracht) om gedurende het Oranje feest op 31 Augustus de reddingboot Dorus Rijkers door het Heldersche Kanaal te laten varen.

Ongetwijfeld zal dat een aardig schouwspel opleveren, maar wat n’g  origineeler is, dat is het feit dat men als speciale bemanning wil laten meevaren het Roomsch Katholieke Knapenkoor “De Zingende Jantjes”. Die natuurlijk zullen zingen.

Des avonds wordt dan, als de feestverlichting brandt, een collecte langs den kant gehouden, waarvan de opbrengst ten goede komt aan het Dorus Rijkers Fonds.

Een idee, origineel bedacht en waarvan wij hopen dat het ten volle zal slagen.

 

Het gebeurde op 1 april 1947

Nederlandse visser HD 64 “Kleine Jannetje”

Eigenaar;Gebr.Kraak

Voor afbeelding zie blz.141

Datum: 01.04.1947

Station: Den Helder/Molengat

Aantal geredden: 3

Redding nr: 1049

Uit: De Reddingboot nr. 64 april 1948 blz.2353

Motorbotter gestrand;

De 1e april meldde de schipper van de HD165, dat de HD64 tengevolge van dikke mist buiten het Molengat op de kust van Texel was gestrand. De mrb. “Dorus Rijkers” vertrok ten 8.30 uur uit de haven met een velt op sleeptouw teneinde verbinding te kunnen maken. Bij de strandingsplaats kwam de reddingboot op 2 vaam diepte ten anker en bracht een tros over naar de HD64. De botter maakte water, doch dit kon met pompen worden bijgehouden. Na een uur trekken was de HD64 vlot. De “Dorus Rijkers” meerde ten 12.30 uur in de haven van Den Helder. Wind Z.W. 4 mistig weinig zee. De bemanning van de HD64 toonde zich zeer erkentelijk voor de verleende hulp en schreef ons 3 April navolgende brief;

“Geachte Heren van de N.Z.H.Redding Maatschappij, bij deze willen wij onze Hartelijke dank betuigen voor de Spoedige en Spontanehulp verleend door de bemanning van de “Dorus Rijkers” door het brengen van de HD64. Daar wij door miswijzing van het kompas met mist gestrand zijn. Nogmaals betuigen wij onze Hartelijke dank vooral aan de bemanning van de “Dorus Rijkers”, die dag en nacht klaar zijn om hulp te verlenen waar hulp nodig is en wil tevens toetreden als donateur. Wij zullen zo spoedig mogelijk een gift sturen. Wij waren pas in de vaart daar de botter in Oorlogstijd gevorderd was en hadden ook nog niet veel gevist.

De bemanning van de HD64: J.Kraak, P.Kraak,A.Tot”.

Bemanning Dorus Rijkers; P.W.Bot/schipper,J.vanVeen/stuurman,J.Bijl/motorist,P.Kramer,L.vanLoosen.

Nederlands ms Saba

Datum: 04.07.1948
Station: Den Helder/Molengat
Aantal geredden: 0
Redding nr: 1146

Uit: De Reddingboot nr. 66 mei 1949 blz. 2463. Loos alarm

De mrb. „Dorus Rijkers” voer 4 juli ten 14.40 uit om een onderzoek in te stellen naar een Kustvaarder met een drie vlaggensein op, die door kustwacht Kijkduin was verkend in de richting 340, dicht onder de Texelse wal.In het Molengat kwam de reddingboot het Nederlandse ms „Saba” tegen, per vlaggesein had het om een loods voor Harlingen gevraagd.

Harde westelijke wind, aanschietende zee.

Bemanning: P.W. Bot / schipper, J. van Veen / stuurman, J. Bijl / motorist, J.J. van Dok, P. Kramer, L. van Loosen.

Het gebeurde op 25 oktober 1949

Sloep Deens ss Ivar
Datum: 24/25.10.1949
Station: Den Helder/20’NNW van Lichtschip Texel
Aantal geredden: 0
Redding nr: 1241

Uit: De Reddingboot nr. 68 juni 1950 blz.2622

Deens ss Ivar op mijn gelopen

24 October 18.00 ontving de secretaris der plaatselijke reddingcommissie te Den Helder bericht, dat het Deense ss “Ivar”, positie 53 46 N 04 49 E op een mijn was gelopen, in zinkende toestand verkeerde, een sloep met vier man had verspeeld en dringend om hulp vroeg. De mrb.”Dorus Rijkers”vertrok 18.25uit de haven. Met de schipper, P.W.Bot, werd afgesproken, dat hij tot aan de lichtboei E.T. 6 in verbinding zou blijven met de kustwachtpost Kijkduin, daarna met kustwacht Brandaris. Vrij spoedig na het eerste bericht werd vernomen, dat de “Ivar” zich niet op 20 zeemijl NNW van Terschellingerbank bevond, doch op 6 zeemijl NW van dit lichtschip. Later bleek het eerste bericht toch juist te zijn geweest. Vijf man waren bij het strijken van de sloep in zee geraakt en verdronken, een tweede sloep met acht man was goed te water gekomen, doch weggedreven. De actie van de “Dorus Rijkers”en later ook die van de mrb. ”Insulinde” was er op ingesteld, deze sloep te vinden. Te 23.20 werd door de plaatselijke reddingcommissie te Den Helder aan het Marine vliegveld Valkenburg gevraagd ook door een vliegtuig te laten zoeken. Deze assistentie werd beloofd doch het vliegtuig verscheen niet, het bleek motorpech te hebben. De “Dorus Rijkers” passeerde boei ET 3 te 20.50.Bij ET 7 werd koers gewijzigd tot NtW en 25 October 01.45 was het Deense ss “Ivar” bereikt. Hiervernam schipper Bot, dat de sloep met acht man reeds 24 October 16.00. het schip had verlaten. Nu werd verder in O.Z.O. richting gezocht. Te 02.10 werd de mrb. “Insulinde” gepraaid. Tegen dagworden is koers gezet om de Oost totdat 08.10 ( dwars van E.T. 12) bericht binnen kwam, dat de sloep van de “Ivar” behouden op Ameland was geland. De “Dorus Rijkers” keerde naar Den Helder terug en liep te 17.30 binnen. Variabele winden, aanschietende tot golvende zee. Later regenachtig en klein zicht.

Schipper en bemanning van de “Dorus Rijkers”waren met een onderbreking van één uur ( zij kwamen 24 October 17.10 terug na de zoektocht naar de Staverse jol en vertrokken 18.25 naar de “Ivar”) in actie geweest n.l. van 23 October 23.45 tot 25 October 17.30 d.i. +/_ 42 uur !

Bemanning;P.W.Bot/schipper,J.vanVeen/stuurman,J.Bijl/motorist,J.J.vanDok.P.Kramer, L.vanLoosen.

 

Uit: Archief KNRM station Den Helder
Uit: De Wieringer Courant, 12-12-1939; p. 4/4

Vliegtuig redt zeven schipbreukelingen

Weer vier schepen vergaan. Zeven opvarenden van een schip, welks identiteit niet bekend is, zijn op de Noordzee gered door de bemanning van een vliegtuig van het Britsche kustcommando.

De navigator van een vliegtuig, dat op een hoogte van 600 voet naar zijn bases terugkeerde, zag twee kleine voorwerpen in zee liggen. Hij dacht dat het mijnen waren en de bestuurder van het vliegtuig maakte zich gereed ze met machinegeweervuur te vernietigen. Nadat men het object nauwkeuriger met den verrekijker had bekeken, ontdekte men, dat het hier twee aan elkaar gebonden vlotten betrof. Het vliegtuig, geen watervliegtuig, waarschuwde een tien mijl verder

varend Deensch schip, De IVAR, en seinde tien minuten lang met een lamp naar de Deen. Het schip wijzigde zijn koers niet, aangezien de signalen niet werden begrepen. Het toestel keerde daarop terug naar de vlotten, die door den dikke mist eerst niet konden worden teruggevonden.

De radiotelegrafist van het vliegtuig bracht toen contact tot stand met het Noorsche schip Lyng en gaf de positie van de vlotten op. Hierna kwam ook de Ivar tevoorschijn, die de door het vliegtuig ingeslagen richting gevolgd had.

De gezagvoerder van het vliegtuig vloog voor de Ivar heen en weer en geleidde het schip op deze wijze naar het vlot. In een zware zee werd toen een boot neer gelaten en de zeven schipbreukelingen konden gered worden. Eerst toen de reddingboot aan boord van de Ivar gehaald was, keerde het vliegtuig naar zijn basis terug.

 

Geholpen bij berging van een mijnenveegapparaat Koninklijke Marine

Datum: 15.12.1948
Station: Den Helder/Z.W. kust van Texel
Aantal geredden: 0
Redding nr.: 1181

Uit: De Reddingboot nr. 66 mei 1949 blz. 2472

Op 15 December hebben de mrb.”Dorus Rijkers” en mrvl. ”C.K.Baas”( Den Helder) op verzoek van de Koninklijke Marine assistentie verleend bij de berging van een 15 ton wegende, 19 m lange, sigaarvormige drijver ( middellijn ± 1.20 m) , die bij het opruimen van magnetische mijnen werd gebruikt en 14 December op de Onrust was gestrand. Krachtige Z.Z.W. wind, aanschietende zee en zware branding bij het strand. Tijdens de bergingswerkzaamheden verspeelde de ook op het terrein van de actie aanwezige Marinesleepboot een anker en de mrb.”Dorus Rijkers” bleef in de nabijheid, totdat de drijver ten 16.30 vlot was gebracht. Mede dank zij de bekwame hulp van de mrb.”Dorus Rijkers”, “C.K.Baas” en de roeivlet, waarmede de bemanning van de reddingboten de 600 m lange sleeptros van de sleepboot naar het strand bracht, is de operatie schitterend verlopen. De door de N.Z.H.R.M. gemaakte kosten werden door de Marine vergoed

Bemanning: P.W. Bot/schipper, J. van Veen/stuurman, J. Bijl/motorist, J.J. van Dok, P. Kramer,
L. van Loosen.

 

Vissersvaartuig HA52 “Corry” in moeilijkheden

Eigenaar: L.F. Veltman, Harlingen
Datum: 15.12.1949
Station: Den Helder/Malzwin
Aantal geredden: 0
Redding nr: 1254

Uit: De Reddingboot nr. 68, juni 1950 blz.2628
15 december 13.00 meldde een Helderse visserman, dat hij in het Malzwin bij rode ton No. 2 een vissersvaartuig had gezien, dat noodseinen gaf. Door de ruwe zee (krachtige Zuid Westen wind) had hij het vaartuig niet kunnen naderen. De mrb.”Dorus Rijkers” vertrok te 13.25 uit de haven, doch in het Malzwin werd geen vissersvaartuig aangetroffen, waarop de reddingboot terugkeerde en te 15.00 de haven van Den Helder binnenliep.
Later bleek, dat het de “HA 52” was geweest; motorstoring was de oorzaak van de moeilijkheden. Voordat de reddingboot arriveerde had de schipper van de HA 52 de motor echter weer aan de gang kunnen krijgen. Hij toonde zich dankbaar voor de activiteit van de “Dorus Rijkers”.

Bemanning: P.W. Bot / schipper, J. van Veen / stuurman, J. Bijl / motorist, J.J. van Dok.

 

Engels jacht Firefly

Datum: 17.09.1950
Station: Den Helder/Texelstroom
Aantal geredden: 0
Redding nr: 1317
Uit: De Reddingboot, nr. 70 mei 1951 blz. 2747
Gezocht naar Engels jacht;
17 september 16.30 kreeg de plaatselijke reddingscommissie te Den Helder ± 16.30 bericht dat tussen de lichtboeien Riepel en Burgzand een, vermoedelijk
op Oudeschild koers zettend, Engels jachtje was gesignaleerd, dat het zwaar te verduren had. Stormweer uit het ZW. Informaties werden ingewonnen bij de
havenmeester van Oudeschild en Kustwachtpost Kijkduin, doch geen jacht kon worden verkend. Te 17.25 voer de mrb. “Dorus Rijkers” uit om een
onderzoek in te stellen. Te 19.00 kwam bericht binnen van Kustwacht Brandaris, dat het Engelse jacht “Firefly” de haven van Terschelling was
binnengelopen, waarop de “Dorus Rijkers” werd teruggeroepen. De reddingboot lag te 20.35 gemeerd. Bemanning;P.W.Bot/schipper,J. van Veen
/stuurman,J.Bijl/motorist, J. J. van Dok.P.Kramer, L. van Loosen.

Uit: De Reddingboot nr. 69, december 1950 blz. 2664-65
Het stormachtige jaar 1950 nadert zijn einde. De dagen zijn kort en de nachten lang. Als de Noordwester doorstaat dondert de wilde branding op
verlaten stranden. Voor schepen, die onze havens aanlopen of buiten de, zich ver in zee uitstrekkende, banken langs de kust varen, zijn de najaar- en winter stormen
de gevaarlijkste.
Bovendien moet nog steeds rekening worden gehouden met de aanwezigheid van magnetische mijnen; het hierbij afgedrukte kaartje, aangevend de plaatsen
waar sedert Mei 1945 schepen door mijn ontploffingen werden beschadigd of tot zinken gebracht, spreekt duidelijke taal.
De mijnenveeg dienst van de Koninklijke Marine is doende om de veilige vaarroute te verbreden, maar het duurt nog jaren, voordat de zee weer schoon
zal zijn.
Voor assistentie bij scheepsrampen ten gevolge van stranding, aanvaring, defecten aan schip of machines, zal echter de aanwezigheid van een parate
reddingsorganisatie steeds noodzakelijk blijven en het is goed om in deze donkere dagen voor Kerstmis met dankbaarheid te denken aan de vele mannen,
die  bereid zijn huis en haard te verlaten indien een schip voor onze kust om hulp vraagt. Als de stormwind buldert en de regen tegen de ramen klettert,
kunnen zij onverwachts worden gealarmeerd.
Zij aarzelen niet en gaan, vol vertrouwen in de hunner beschikking gestelde reddingboten, de wilde branding tegemoet.
We zeggen wel eens:”het is weer om geen hond buiten te laten”,maar een hond zou in zulk weer slechts nat worden. Van de redders wordt dan echter het
uiterste gevraagd; bekwaam zeemanschap en zelfopoffering.
Immers, het langszij schieten van een gestrand schip, dat besprongen wordt door woeste grondzeeën, blijft een zeer gevaarlijke manoeuvre, alle verbeteringen van het materieel ten spijt.

P.S. tot in de 70er jaren is de KM bezig geweest met mijnenveeg operaties om de vaarroutes  te verbreden,voor een veilige doorvaart,vanaf die tijd werden
er modernere zoekmethoden toegepast zoals met Mijnenjagers, ik ben daar zelf (Peter Mulder) als KM duiker jarenlang nauw bij betrokken geweest, en er zijn
toen zeer veel explosieven vernietigd.
Heden ten dage worden er nog steeds explosieven in de kustwateren gevonden en vernietigd door de Koninklijke Marine………

Assistentie Nederlandse ms Beurtvaart 2

Eigenaar; De Vereniging van Beurtvaartdiensten, Den Burg/Texel
Datum: 01.01.1952
Station: Den Helder/Beoosten Den Helder
Aantal geredden: 2
Redding nr: 1449

Uit: De Reddingboot nr. 74 mei 1953 blz. 2927 en 2928 Assistentie aan motorschip

1 januari 17.25 vertrok de mrb. ”Dorus Rijkers” uit de haven van Den Helder op het bericht, dat op de rede werd gestakeld. Stormweer uit het WNW; regen en sneeuwbuien. De noodseinen bleken afkomstig te zijn van het ms “Beurtvaart 2”, dat op lager wal van het Nieuwe Havenwerk was geraakt. Net op tijd slaagde de “Dorus Rijkers” er in verbinding te maken en de “Beurtvaart 2” behouden binnen te brengen. Er waren twee man aan boord.

De Vereniging van Beurtvaartdiensten te Den Burg schonk een bedrag van ƒ 100,– als blijk van erkentelijkheid voor de door de mrb. ”Dorus Rijkers” verleende assistentie.

Bemanning; P.W. Bot / schipper, J. van Veen / stuurman, J. Bijl / motorist, P. Kramer, L. van Loosen, C. Veen.

 

6 februari 1953 Opdrachten blijven uit tijdens de watersnoodramp

Uit; Haarlems Dagblad 6 februari 1953 pag. 2/10.

 

Sloep Kon.Marine


Datum: 25/26.09.1954
Station: Den Helder/Mosselgaatje
Aantal geredden: 7
Redding nr: 1670
Uit: De Reddingboot nr. 78 mei 1955 blz. 3150 en 3151
Sloep met Adelborsten in moeilijkheden; 25 september 18.30 riep de Koninklijke Marine de medewerking in van het reddingstation Den Helder om te zoeken naar een zeilsloep van het Koninklijk Instituut v.d. Marine. Deze sloep met 7 Adelborsten aan boord, was in de richting van het Mosselgaatje ( achter de nieuwe Marinehaven ) weggedreven en de Marine zag geen kans om de sloep met de beschikbare motorboten te bereiken. De “Dorus Rijkers” vertrok 19.15 met een roeivlet op sleeptouw.
ZW – wind, 4, doch met harde vlagen en regenbuien. De Commandant van het Koninklijk Instituut van de Marine en een Luitenant ter Zee gingen met de
“Dorus Rijkers” mee. Op het wad aangekomen hebben twee opstappers van de “Dorus Rijkers” ongeveer 1 ½ uur met de roeivlet gezocht nabij de
strekdam. Te 21.00 keerde de “Dorus Rijkers” met de vlet onverrichterzake terug, aangezien deze wegens de harde vloed langs de dam niet ver genoeg op
het wad kon komen. Vervolgens werd de motorsloep van het betonningsvaartuig “Zaandam” gereed gemaakt om samen met de “Dorus Rijkers” op zoek te
gaan. De Koninklijke Marine schoot onderwijl lichtkogels af teneinde daarmee de opvarenden van de zeilsloep te kennen te geven dat hulp onderweg was. Te
23.30 vertrok de “Dorus Rijkers” opnieuw met de motorsloep en roeivlet op sleeptouw. Behalve de Commandant van het Kon.Instituut en een Luitenant ter
Zee ging ook de voorzitter van de plaatselijke reddingcommissie met de “Dorus Rijkers” mee.
26 september 00.05 kwam de reddingboot ten anker bij de strekdam, de motorsloep en roeivlet gingen zoeken. Reeds 20 minuten later was de vermiste
sloep gevonden. Zij zat geboeid op de strekdam. De zeven Adelborsten werden door de “Dorus Rijkers” te 01.00 aan wal gezet, de sloep werd later
geborgen

Bemanning;J.vanVeen/stuurman, J.J.Bijl/motorist, J.J. van Dok, P.Kramer, L. van Loosen, P. Rab, C.H.Steigstra, M.Hamerslag, J.Middendorp.
De Commandant van het Koninklijk Instituut v.d. Marine H.A.W. Goossens,
Kapitein ter Zee, Adj. i.b.d. van H.M. de Koningin, schreef ons d.d. 28
september 1954 navolgende brief;

“Hierbij heb ik de eer U mijn zeer grote erkentelijkheid te betuigen voor de hulp, die Uw Maatschappij Zaterdag 25 september 1954 heeft willen verlenen
bij het opsporen van de sloep met Adelborsten, welke gestrand was na een zeilwedstrijd ter rede en het aan boord nemen van deze jongelieden. Ik was
zeer getroffen door de spoed, waarmede de “Dorus Rijkers” werd gereed gemaakt en door de hulpvaardigheid en kunde van schipper en bemanning. Ik
moge U wel verzoeken aan schipper en bemanning de dank van het gehele Koninklijk Instituut v.d. Marine te willen overbrengen”.

Visser WR41”Branding“

Eigenaar:familie Ruitenburg
Datum: 8/9.12.1954
Station: Den Helder/Vogelzand
Aantal geredden:3
Redding nr: 1708

Uit: De Reddingboot nr. 78 mei 1955 blz. 3165

Mosselenvisser vlotgetrokken

8 december voer mrb. ”Dorus Rijkers” te 21.05 uit Den Helder op het bericht van de havenmeester van Oudeschild, dat de mosselenvisser WR41 tijdens een sneeuwstorm was gestrand op het Vogelzand en onmiddellijk assistentie verlangde. De “Dorus Rijkers” haalde eerst in Oudeschild een vlet, aan boord waarvan drie Wieringer visser meevoeren. Te 22.25 vertrok de “Dorus Rijkers” uit Oudeschild naar de Burgzandboei en vandaar uit werd in Oostelijke richting verder gevaren. Te 23.50werd de WR41 dwars van het rode baken No. 8 Texelstroom aangetroffen. 9 december 04.10 ( het water was toen gerezen) is de “Dorus Rijkers”er in geslaagd de WR41 vlot te trekken. Te 06.15 meerde de reddingboot op haar ligplaats in de haven van Den Helder. Wind ZO, 7, buiig weer en mistig. Golvende zee.

Bemanning: P.W. Bot/schipper, J. van Veen/stuurman, J.J. Bijl/motorist, J.J. van Dok. P. Kramer
en L. van Loosen.

Uit:Vissers van Wieringen blz.189

 

 

 

 

 

 

Botter UK 69

Datum: 23/24.03.1955

Station: Den Helder/Noorderhaaks

Aantal geredden: 4

Redding nr: 1725

Uit: De Reddingboot nr 80 mei 1956 blz. 3236 en 3237

Urker botter gestrand op Noorderhaaks;

23 maart 22.45 meldde Kustwachtpost Kijkduin, dat in peiling 300 noodseinen werden gegeven met lichtkogels. Te 23.20 voer de mrb.”Dorus Rijkers” uit de haven van Den Helder. Wind Z.W.t.W., 5 á 6 matig zicht met af en toe mistvlagen. Bij de Noorderhaaksboei gekomen zag men de lichten van een in de Noorderhaaksgronden gestrand vaartuig. Pogingen om naderbij te komen mislukten omdat er te weinig water stond.

24 maart 02.30 probeerde schipper P.W.Bot het nog eens, maar nu bleef de “Dorus Rijkers” zelf op de bank hangen. Hij liet een anker vallen en tenslotte scheerde de reddingboot over de bank. Met slechts weinig water onder de kiel voer de “Dorus Rijkers” verder de gronden in, totdat het gestrande vaartuig, de botter “UK69”, tot op +/_ 300 m. was genaderd. Weer ging het anker over boord en achteruit varend kwam de reddingboot dichterbij. Twee pogingen een lijn over te schieten mislukten omdat de afstand te groot bleek. Schipper Bot besloot daarom tegen hoog water terug te varen naar Den Helder teneinde een vlet te halen. Te 07.30 uur arriveerde hij in de haven en een uur later voer hij weer uit. Nu werd koers bepaald door het Westgat, bij ton No.16 ging de “Dorus Rijkers” met noordelijke koers de gronden in. Vlak voor de ondiepten kwam de reddingboot ten anker en met de vlet werd naar de “UK69” geroeid. Er was water en zand in de machinekamer gekomen, zodat schipper Bot adviseerde om het schip te verlaten, temeer daar de wind aanwakkerde en de branding toenam. De vier opvarenden van de “UK69” gingen met de vlet naar de “Dorus Rijkers”. Te 11.15 werden zij te Den Helder ontscheept. Veel hoop op behoud van de “UK69” had men niet, doch onverwachts is de botter in de namiddag tijdens hoogwater vlot gekomen en opgepikt door de sleepboot “Nestor” van Bureau Wijsmuller.

Bemanning;P.W.Bot/schipper,J.vanVeen/stuurman,J.J.Bijl/motorist,J.J.vanDok.P.Kramer, L.vanLoosen.

 

 

 

 

Jacht “Johanna Jantina”

Datum: 16.09.1956

Station: Scheveningen

Aantal geredden: 0

Redding nr: 1831

Uit: De Reddingboot nr.82 mei 1957 blz. 3327

Jacht begeleid;

16 september voer de “Dorus Rijkers”te 12.30 uit de haven van Scheveningen op het bericht dat +/_ 3’n.w. van de haven een jacht lag met geknikte voormast en gescheurde zeilen.

Na het dek te hebben geklaard is het jacht, de “Johanna Jantina”, met 10 passagiers aan boord, begeleid door de reddingboot, op de motor naar de haven teruggevaren.

Wind n.o. 4, golvende zee..

Bemanning;S.C.denHeyer/schipper,P.de Ruiter/stuurman,A.M.Veldman/motorist, JanPronk.

 

Vliegtuig Koninklijke Marine (Firefly) verongelukt

Datum: 21 t/m 23.12.1956
Station: Scheveningen/Bezuiden; de haven van Scheveningen
Aantal geredden: 0
Reddingnr.: 1856 t/m 1858

Uit: De Reddingboot nr.82 Mei 1957 blz. 3335

Vliegtuig in zee gestort

21 december 15.05, werd de schipper van de “Dorus Rijkers”, die toevallig bij de haven aanwezig was, door leden van de Scheveningse losploegen gewaarschuwd, dat bezuiden de haven een vliegtuig in zee was gestort. Met grote spoed werd de reddingboot klaar gemaakt en reeds te 15.10 vertrok zij, met de ooggetuigen, uit de haven. Op de plaats van de ramp hing een zeer sterke benzinelucht. Slechts enkele vliegtuigonderdelen en inventarisstukken konden worden opgepikt. De beide inzittenden van het vliegtuig, een Firefly van de M.L.D., werden niet gevonden. Te 16.45 was de “:Dorus Rijkers” terug in de haven. Wind n.o.3, licht golvende zee.
Bemanning: S.C.den Heyer/schipper, P. de Ruiter/stuurman, Jan Pronk, K.van der Harst, A. Roos, A. Spaans.

Gezocht naar vliegtuigwrak

22 en 23 december hebben de “Dorus Rijkers” en de “Arthur” van 09.00 – 17.00 op verzoek van de Marineluchtvaartdienst Hr.Ms.Veere geholpen bij het zoeken naar de slachtoffers en het wrak van de bezuiden Scheveningen verongelukte Firefly. Deze zoekactie had geen resultaat, het wrak van de Firefly en de beide slachtoffers werden na de Kerstdagen gevonden door een bergingsschip en een duikerschip van de Kon.Marine. De kosten van de op 22 en 23 december verleende assistentie worden door de Kon. Marine vergoed.
Reddingnr.: 1857; Bemanning: S.C.den Heyer/schipper, P. de Ruiter/stuurman, A.M. Veldman/motorist, JanPronk, J.Harting. Reddingnr.:1858; Bemanning: S.C. den Heyer/schipper, P.de Ruiter/stuurman, A.M. Veldman/motorist, Jan Pronk, J. Harting, E.den Heyer.

 

 

 

De Commandant van het Marinevliegkamp Valkenburg schreef ons d.d. 27 december:
“Gaarne betuig ik U mijn dank en waardering voor de wijze waarop door de reddingboten “Arthur’ en “Dorus Rijkers” assistentie is verleend bij het zoeken naar het vliegtuig, dat op 21 december jl. nabij Scheveningen in zee is verongelukt. De prompte actie, zodra het ongeval bekend was, alsook de medewerking verleend aan Hr.Ms.Veere, bij het dreggen, zijn van grote waarde geweest, ook al hebben deze activiteiten niet kunnen leiden tot de redding van de inzittenden dan wel het bergen van hun stoffelijke overschotten.”.

 

 

 

 

Standby voor binnenlopende schokkers/loggers;

Datum: 06.10.1956

Station: Scheveningen

Aantal geredden: 0

Redding nr: 1837

Uit: De Reddingboot nr. 82 mei 1957blz.3328

Standby voor binnenlopende schokkers/loggers;

6 oktober heeft de “Dorus Rijkers”( Scheveningen ) eerst te 15.00 enige tijd klaar gelegen voor in- en uitvarende schokkers en loggers en is vervolgens te 20.00, nadat de SCH48 bij het binnenvaren zo dicht langs het Zuiderhoofd was gevaren, dat het schroefraam en kiel schade opliepen, in de buitenhaven paraat gebleven. Wind noord 7-8, wild aanschietende zee met woelige deining. De krachtige eb-stroom vlak langs de havenhoofden maakte het binnenlopen tot een moeilijke manoeuvre. De SCH341, SCH35 en SCH116 kwamen goed binnen, het laatste schip, de SCH402 kreeg in de doorvaart van de buitenhaven naar de eerste haven motorpech, zodat de “Dorus Rijkers” deze logger op sleeptouw nam en naar haar ligplaats in de tweede haven bracht..

SCH 48”Jac den Dulk” Schipper;C.deJong,Reder; A.v.d.Toom

SCH 341”Zeebrugge” Reder;Jac.denDulk en Zn N.V.

SCH 35”Ambon” Schipper;L.Rog,Reder;J.J.v.d.Toom

SCH 116”Simon en Pieter” Schipper;L.Rog,Reder;N.V.Vishandel,Rederij en Haringhandel v/h Frank Vrolijk

SCH 402”Huibertje” Schipper;T.Pronk(Monica)??,Reder;Jac.denDulk&Zn.N.V.


SCH87 ”Holland”

Reder: S.enB.v.Leeuwen
Datum:21/22.01.1960
Station: Scheveningen/1,5’ Benoorden Scheveningen
Aantal geredden: 0
Redding nr: 2151

Uit: De Redding boot nr.90 juni 1961 blz.3647

Logger gestrand

21 januari 23.00 kreeg de schipper van de mrb.”Dorus Rijkers” (Scheveningen) bericht, dat de logger SCH87 “Holland”, die de Sch36 naar Rotterdam had gesleept, reeds te 18.15 de semafore van Hoek van Holland was gepasseerd en nog steeds niet te Scheveningen was binnengelopen. De “Dorus Rijkers” voer te 23.30 uit. Wind Z., 3, lichte deining. Al zoekende is de reddingboot naar de Nieuwe Waterweg gevaren en vervolgens terug om de Noord. 22 januari 01.15 meldde Scheveningen – Radio een noodsein van de SCH87 te hebben opgevangen en te 01.45 kreeg de “Dorus Rijkers” bericht, dat de SCH68 de vermiste logger 1.5’ ben. Scheveningen had ontdekt. De SCH87 was bij hoogwater gestrand en verkeerde niet in gevaar, zodat de reddingboot terugkeerde en te 03.30 afmeerde.

Bemanning: S.C.den Heyer/schipper, A.M.Veldman/motorist, J.Harting, Jan Pronk.